In de bioscoopzaal met Joseph Roth
Joseph Roth, ‘Schijnwereld: filmkritieken 1919-1935’ 
In Kevin Brownlows televisiereeks ‘Hollywood: A celebration of the American Silent Film’ declameert James Mason in de eerste aflevering: “One thing is for sure, there was nothing silent about silent movies“.
Volgend jaar zal het honderd jaar geleden zijn dat de geluidsfilm doorbrak met ‘The Jazz Singer’. Geschiedenis kent een merkwaardig neveneffect: ze zorgt ervoor dat de meeste individuele stemmen verdwijnen, wat overblijft is een homogene indruk. De periode van de stomme film is anno 2026 gereduceerd tot pakweg een handvol klassiekers: ‘The Kid’ (1921) van Charlie Chaplin, ‘The General’ (1926) van Buster Keaton of ‘La roue’ (1923) van Abel Gance. De vraag die zich opwerpt: hoe werden die films beleefd in hun tijdperk?
Brede waaier
Joseph Roth (1894-1939) kennen we als auteur van een rijk oeuvre en als journalist. Beroepshalve bezocht hij vaak de bioscoop en schreef daarover voor een brede waaier van publicaties, variërend van de Freie Deutsche Bühne tot Frankfurter Zeitung. De selectie van Els Snick en Steven Jacobs biedt een inzicht hoe de auteur zich verhield tot het nieuwe medium. Wat daarbij opvalt is de brede waaier die de revue passeert: van – ondertussen tot klassiekers uitgegroeide – prenten als ‘Nosferatu’ (1921) van F.W. Murnau of ‘De generale lijn’ (1930) van Eisenstein tot newsreels of didactische films. Wie (het weliswaar fel geromantiseerde) ‘Nuovo Cinema Paradiso’ (1988) van Giuseppe Tornatore heeft gezien, weet dat bioscopen – zeker lokale – tot in de late jaren zestig vaak niet over een specifiek aanbod beschikten. Je keek wat er draaide.
Die verscheidenheid levert een bundeling teksten op waarin je steevast op zinnen stuit die we uiterst zelden aantreffen in gespecialiseerde filmrecensies. Zinnen waarin Roth probeert uit te maken wat voor mogelijkheden en tekortkomingen dit nieuwe medium biedt. In ‘Achter de coulissen van de film’ beschrijft hij bijvoorbeeld de sensatie die een kijker overvalt wanneer die geconfronteerd wordt met een bewegend beeld uit een wereld die haar/hem vertrouwd is:
De doorsnee bioscoopbezoeker laat zich net als de doorsnee romanlezer graag meeslepen door de schijnbare realiteit en de herkenbaarheid van de dingen die worden voorgesteld. Hij veert op als hij midden in een film het Anhalter Bahnhof herkent, vanwaar ook ‘zijn trein’ als eens is vertrokken […] En dat komt hij erachter dat dit station, dat hij dacht te herkennen […] is gemaakt van beschilderd karton. Dat ‘zijn’ trein niet echt over sporen rijdt, maar buiten beeld door een man met een rookfakkel wordt nagebootst. En het plezier om de geslaagde misleiding is […] beslist veel kleiner dan zijn blijdschap over de vertrouwde, herkenbare en geliefde realiteit.
Magie
Ondertussen zijn we niet meer verwonderd over de “magie” die film oplevert, maar nog steeds veren we op als we pakweg een huis of een straat herkennen. De strijd tussen schijn en realiteit duikt op wanneer Roth schrijft over toenmalige publiekslieveling Jackie Coogan (de ster van het eerder vernoemde ‘The Kid’):
Ik wil liever niet denken dat de jongen er geld mee verdient. Want dan blijf ik mijn hoofd breken hoe het kan dat een kind munt slaat uit het kind-zijn en tegelijk een echt kind blijft […] zijn ogen vol schalkse treurigheid inzet voor zijn professionele ambacht en er desondanks nog gebruik van maakt voor zijn eigen behoeften; hoe een kind zo slim kan zijn dat het met zijn kinderlijke, aandoenlijke onbeholpen maar gewiekste naïviteit zaken kan doen. Dat is eng.
‘Schijnwereld’ is geen boek voor filmbuffs, maar voor mensen die geïnteresseerd zijn in de wisselwerking tussen film en mens. Bovendien biedt het nawoord van Steven Jacobs een verhelderend inzicht in de rol die film speelde in de romans van Joseph Roth. De stille film was inderdaad niet stil.

