De klank van het geschreven woord: Geoff Dyer over jazz

De klank van het geschreven woord: Geoff Dyer over jazz

‘But beautiful : een boek over jazz’, Geoff Dyer 4 out of 5 stars

Met ‘But beautiful : een boek over jazz’ (2026, Tristan), wordt na ‘Huiswerk’ (2025), ‘Uit pure woede’ (2024) en ‘De laatste dagen van Roger Federer’ (2023), wederom een nieuw boekdeel van de Britse schrijver Geoff Dyer in het Nederlands uitgegeven. Een uitstekende zaak, zo blijkt. Nu ‘But beautiful’ (1991) ook in het Nederlands verschijnt, verwerft de vroege mijlpaal in Dyers oeuvre een nieuwe glans. Het is immers een van de allereerste boeken waarin de auteur zijn kenmerkende hybride vorm – een mixtuur van fictie, essay, reportage en lyrische meditatie, voor het eerst volledig omarmt.

Binnen Dyers’ oeuvre geldt ‘But beautiful’ als een sleuteltekst omdat hij er verschillende thema’s in opneemt (kwetsbaarheid, kunstenaarschap, falen,..) die erg richtinggevend zijn voor de verdere uitbouw van zijn literaire carrière.

Met ‘But beautiful’ schaart Dyer zich naast auteurs als Toni Morrison (‘Jazz’), Langston Hughes, Kerouac (‘On the road’, ‘Mexico city blues,’..), Michael Ondaatje (Coming through slaughter’) en Julio Cortázar (‘El perseguidor’), schrijvers die jazz niet zozeer beschouwen als onderwerp van literatuur dan wel als een vormelijk principe. Hun teksten willen de muziek immers niet verklaren, maar eerder haar ritme, improvisatie en gevoelsmatige waarheid in taal reconstrueren.

Tussen fictie en lyrische meditatie

Dyers’ ‘But beautiful’ lijkt ogenschijnlijk een ‘klassieke‘ jazzkroniek te zijn. Toch is dat niet het geval. Dit in twee luiken uiteenvallende boek zoekt, zowel naar vorm als naar inhoud, net naar een eigen weg – op het zelden verkende gebied tussen fictie, essay en poëtische meditatie in. Dyer bundelt hier uiteenlopende registers waardoor een meerstemmige tekst ontstaat.

Bijzonder is dat Dyer in zijn boek duidelijk afstand houdt van traditionele jazzgeschiedenis of kritiek. Hij probeert jazz niet uit te leggen, maar jazz te schrijven. In de verschillende stukken, met daarbij in een eerste luik deels gefictionaliseerde beschrijvingen rondom de levensloop van gereputeerde jazzmusici zoals Lester Young, Thelonious Monk, Bud Powell of Charles Mingus gaat hij bij uitstek improviserend, associatief en vaak verrassend lyrisch te werk. Zij vormen de basis voor een diepgaande literaire verkenning van melancholie, creativiteit, eenzaamheid en finaal ook verval.

Gefictionaliseerde levensschetsen

In het eerste luik bestaan de hoofdstukken uit grotendeels verzonnen scènes die lichtjes buigen op klassieke, historische feiten, foto’s en anekdotes. Dyer zoekt zo al schrijvend en improviserend vooral naar de binnenwereld van de jazzmusici die hij uit de losse pols portretteert. Veelal staan hier door armoede, alcoholisme en tragiek gedomineerde figuren centraal. Tere, kwetsbare zielen met flitsen van genialiteit, die noodgewongen handel(d)en in een bredere context van racisme, segregatie, economische uitsluiting:

kerels die op elk ander gebied zouden hebben gefaald, als bankier of zelfs als loodgieter, die konden geniaal zijn in de jazz ; zonder de jazz waren ze helemaal niets geweest. De jazz ziet dingen, haalt dingen in mensen boven die de schilderkunst of literatuur niet ziet.”

Op zoek naar de binnenwereld

Dyer zoekt nadrukkelijk naar de rijke wereld aan gevoelens achter het kunstenaarschap. Hij tekent het allemaal op – soms in sneltempo met korte zinnen, dan weer met knap geïmproviseerde passages die net wat meer ademen. Het is in zekere zin tekst die jazz performt. Dat vertaalt zich onder meer in een kenmerkende passage als deze, die Dyers’ feel voor improvisatie, taal en klank goed weergeeft:

Zijn vingers waren als nijptangen. Mensen beweerden dat ze hem ooit als een baksteen tussen duim en wijsvinger hadden zien houden en dat er twee deukjes waren achtergebleven waar hij geknepen had. Maar dan raakte hij de snaren zo zachtjes aan als een bij die neerstrijkt op de roze blaadjes van een Afrikaanse bloem die groeit op een plek waar nooit iemand een voet heeft gezet. Als hij met de strijkstok speelde, liet hij de bas klinken als het gegons van een duizend man sterke gemeente in de kerk. Mingus’ vingers’.

Het is slechts een van de vele voorbeelden die goed aangeven hoe Dyer muziek in taal omzet.

Muziektheoretische noties

In het tweede, afsluitende deel neemt Dyer afscheid van de eerdere geïmproviseerde schetsen van jazzmusici. En zet hij – op basis van zijn eigen luister- en kijkervaringen – een andere, sterk muziektheoretische analyse in. Hier positioneert Dyer zich meer uitgesproken als jazzcriticus die halt houdt bij verschillende, in historische zin belangrijke jazzfiguren en episodes.

Dit luik is zoals Dyer in het voorwoord bij ‘But beautiful’ aangeeft eerder een toevoeging dan een integraal deel van het geheel. Dat uit zich onder meer in een sterk formeler register, zowel qua structuur, als qua taal en stijl. Wat hier opvalt is de persoonlijke insteek, die ook al in het eerste luik zat. Het is in dit luik overigens niet Dyers’ intentie om uitputtend aan jazzgeschiedenis te doen, dan wel om wat meer toelichting te geven bij de gekozen muzikanten, muziekalbums en de oorspronkelijke ‘clichés’ die het bronmateriaal vormden voor het eerste deel. Tegelijk vormt het een contrapunt, een bredere, muziektheoretische reflectie op wat eerder in ‘But beautiful’ al aan bod kwam.

Een poging tot verbeeldingskritiek

In het voorwoord bij ‘But beautiful’ geeft Dyer onder meer aan dat dit boek ook vooral een verbeeldingskritiek wil zijn. Hij verbeeldt zo een reeks schetsen uit mogelijke levens van jazzmusici, met als belangrijkste doel dichter bij hen te komen. Net door fictieve scènes te construeren probeert Dyer de gevoelsmatige waarheid van jazz te benaderen en zo dichter in de binnenwereld van de geportretteerde jazzmusici te komen.

De in zijn beschreven angsten en twijfels in de levens van jazzmuzikanten weerspiegelt ook ergens zijn eigen positie als schrijver. In beide gevallen ontstaat betekenis niet vanuit controle, maar eerder vanuit improvisatie en experiment. Dyer gebruikt fictie vooral als kritisch instrument: niet om historische feiten te reconstrueren, dan wel om een gevoelsmatige waarheid te proberen benaderen. Daarbij bestaat de inzet vooral in de innerlijke wereld van muzikanten te pogen verbeelden, en daarnaast te tonen wat een eerder klassiek opgevatte biografie wellicht niet kan vatten.

Kritische lezing

But beautiful’ is een opmerkelijk geslaagde poging om de logica van improvisatie in taal om te zetten. Daar slaagt Dyer wonderwel in. Tegelijk kan je als lezer er niet om heen dat de schrijver de levenswandel van jazzmusici deels fictionaliseert om (objectievere?) afstand te krijgen. Al lezend merk je dat Dyer bijzonder veel sympathie en empathie heeft voor zijn gekozen onderwerp. Tot op zekere hoogte bestaat er evenwel het risico dat Dyer de levenswandel van de jazzmusici misschien net iets te sterk romantiseert.

Tegelijk neutraliseert de schrijver dat specifieke argument door al van meet af aan net het hele idee van verbeeldingskritiek naar voren te schuiven. Hij expliciteert uitdrukkelijk de noodzaak tot fictionalisering, toont duidelijk dat hij interpreteert ; dat zijn intententie er vooral in bestaat om tot een gevoelsmatige waarheid te komen. Bovendien verdoezelt Dyer de historische context allerminst: racisme, segregatie, economische uitsluiting, Dyer benoemt ze in dit boek erg helder.

Dyer gaat zo al schrijvend, vrijuit improviserend – helemaal in de geest van het genre, op zoek naar de inner workings van jazzmusici. Om van daaruit de lens verder te verschuiven naar de rijke geschiedenis van jazz. En daar tot de conclusie te komen dat jazz als zowat énig muziekgenre vooral kan buigen op standards. Om zo de parallel verder door te trekken naar literatuur: in een overgrote meerderheid van de gevallen lenen schrijvers en musici ook maar wat van elkaar.

Met ‘But beautiful’ schrijft Dyer jazz. Maar meer dan een boek over jazz is ‘But beautiful’ vooral literatuur die op een heel bijzondere manier de eigenheid van het genre vorm weet te geven.

Related Images:

Philippe De Cleen

Philippe De Cleen houdt van mooie boeken en van mooie muziekjes. Is ongetemd als het op cultuur aankomt. Leest vrijwel continu, zelfs op de bus, tram of trein onderweg.