Het zou best kunnen dat ‘Pressure’ de beste film is die je over een weerman in WOII kan maken
‘Pressure’ (2026) 
In ‘Pressure’ overtuigt regisseur Anthony Maras ons ervan dat een goede weerman van onmetelijk belang is in oorlogstijd, maar botst hij tegelijk op de grenzen van de filmische aantrekkelijkheid van het beroep.
Bidden om een zonnetje
Op vrijdag 2 juni 1944, drie dagen voor de geplande lancering van D-day, wordt de bekwame Schotse meteoroloog James Stagg (Andrew Scott) door de Amerikaanse generaal Dwight D. Eisenhower (Brendan Fraser) opgeroepen om het weer voor de bewuste dag te voorspellen. De slaagkans van D-day, en dus van de oorlog, hangt in grote mate af van Staggs voorspelling: een te lage bewolking betekent geen luchtmacht, terwijl te hoge golven dan weer de zeemacht kunnen doen kapseizen. Bovendien maakt niet alleen het instabiele Kanaalklimaat, maar ook de ongebreidelde eerzucht van mannen met strepen het hem knap lastig.
Van alle onderwerpen waar je een oorlogsfilm over kunt maken is het weerbericht niet meteen het meest sexy, maar regisseur Anthony Maras weet ons toch de volle honderd minuten aan het scherm te kluisteren. Hij heeft daarvoor geen flitsende gevechtsmontages of knallende geluidseffecten nodig – die passeren pas op het einde heel even de revue. Nee, geen risico op gehoorschade bij ‘Pressure’. Maras baseerde zich namelijk op het gelijknamige toneelstuk van West End-habitué David Haig. Dat betekent dus: veel praten en weinig ruimtes.

Net als acht jaar geleden met zijn langspeeldebuut, de claustrofobische thriller ‘Hotel Mumbai’, weet Maras die eentonigheid van locatie handig te omzeilen. Hij laat zijn hoofdpersonages regelmatig een frisse neus halen en toont tussendoor overtuigend ingekleurde beelden van échte D-day-soldaten. Een van de beste scènes speelt zich trouwens buiten af: wetenschapper Stagg die in z’n overhemd een stortbui ondergaat, terwijl de verzamelde Anglo-Amerikaanse legertop in een kapel ‘Hallelujah’ kweelt, in een poging hun god tot een zonnetje te paaien.
De grote generaal en de kleine weerman
Het leuke aan ‘Pressure’ is dat elk belangrijk personage een zekere gelaagdheid bezit en dat de acteurs die ze spelen veel dialoog krijgen om hun ding mee te doen. Dan deert het niet dat sommige scènes aan de lange kant zijn.
De opvallendste figuur in de cast – neem dat gerust letterlijk – is Brendan Fraser. De Oscarwinnaar mag dan al lang niet meer de fysiek bezitten van de actieheld die hij ooit was*, voor zijn vertolking van Eisenhower komt zijn imposante gestalte alsnog goed van pas. Het schrille contrast met de magere Andrew Scott zorgt alleen maar voor een versterking van de machtsverhouding tussen de twee. De grote generaal versus de kleine weerman. Hun tweespel wordt verder aangevuld door sterke vertolkingen van Kerry Condon, Chris Messina en ‘Homeland’-acteur Damian Lewis.
De regisseur en zijn cast doen dan wel hun stinkende best om er een spannend oorlogsdrama van te maken, uiteindelijk botsen ook zij op het feit dat ‘Pressure’ in se gaat over een weerpraatje. De spanning is écht en de inzet is dat ook, maar de landing in Normandië maakt toch meer indruk door de ogen van iemand die met zijn van zoutwater doordrenkte laarzen in het zand staat, dan door die van iemand die isobaren op een landkaart tekent.
Als toneelstuk in the West End werkt ‘Pressure’ wellicht nog beter dan als film, ook al kun je daar moeilijk naar de Franse kust trekken. Hoe dan ook heeft Maras de best mogelijke film gemaakt van het materiaal dat hij kreeg.
‘Pressure’ speelt nu in de bioscoop.
*Fraser zou die fysiek naar verluidt wel aan het herwinnen zijn, in voorbereiding op ‘The Mummy 4’.
