Anarchie als artistiek axioma: Wim Vandekeybus vindt Bizets ‘Carmen’ opnieuw uit
Opera Ballet Vlaanderen, ‘Carmen’ 
Een onweerstaanbare opeenvolging van oorwurmen volgens de een, een onverdraaglijk kitschfestijn voor een ander: weinig opera’s verdelen het publiek zo radicaal als ‘Carmen’. Feit is dat het kroonjuweel van Bizets oeuvre nog steeds tot een van de meest opgevoerde titels wereldwijd behoort. Met deze klassieker der klassiekers nog iets origineel uithalen, is kortom geen sinecure. Door choreograaf Wim Vandekeybus te verleiden tot zijn operadebuut, ontsluit Opera Ballet Vlaanderen niettemin ongebaande paden. Dans komt in deze productie logischerwijs centraal te staan, al wordt het eigenlijke narratief net zo goed verbeeld. Dat resulteert in visueel spektakel, zij het dat Vandekeybus wel degelijk vertrekt vanuit een doordacht interpretatief discours.
Hoewel muzikaal onmogelijk aan de door Bizet geromantiseerde Spaanse folklore valt te ontsnappen, schrapt Vandekeybus alle couleur locale moedwillig uit zijn productie. Zo krijgt de zaal bij het opgaan van het doek enkele timmerende druïden te zien. Tijd en plaats zijn onbestemd in deze dageraad van de menselijke soort, waar Vandekeybus ineens een demon opvoert, wiens epileptische pantomime nog het meest wegheeft van een bezwering. Van meet af aan maakt de regie daarmee manifest dat deze lezing zich niet tot een specifieke context laat reduceren, wel integendeel. Thema’s als lust, liefde, verlangen en eenzaamheid, door Bizet met een wervelende lichtzinnigheid georkestreerd, worden door het prisma van de tijdloze menselijke conditie bezien.
Die keuze bevrijdt Vandekeybus van het juk van zuiderse franjes. Habanera of seguidilla? De choreograaf beschouwt de muziek los van haar mediterraans temperament, om er radicaal eigentijdse dans mee te construeren. Zonder kapsones verwijst Vandekeybus vastgeroeste interpretatieve patronen naar de prullenbak, in wat een eclectisch geheel is van uitdossingen, dansstijlen en genderidentiteiten. Die anarchistische artistieke praktijk werkt enigszins ontregelend, want in het libretto zitten oubollige kracht- en machtsverhoudingen gebeiteld. Het dictaat van het mannelijk verlangen is er alomtegenwoordig, en het is nu eenmaal het lot van de vrouw om die te ondergaan.
Of niet? Welbeschouwd begrijpt Vandekeybus het titelpersonage als een geëmancipeerde, vrijgevochten vrouw die zich niet alleen weigert over te leveren aan de grillen van de mannelijke drift, maar haar omgeving zelfs infecteert met een honger naar ontvoogding. De dansers, een amalgaam van Ultima Vez en leden uit het corps de ballet, worden opgevoerd als vaandeldragers van Carmens strijd om als individu gezien te worden, meer dan als naamloos onderdeel van een begeerde sekse. Idiomatisch en vestimentair sluit Vandekeybus zijn equipe dus niet op in rigide denkkaders, en wel omdat zij Carmens oerkracht mee expliciteren. De energie waarmee de dansers zinnelijkheid, revolte en intermenselijke wrijving evoceren, vormen een even abstracte als viscerale hertaling van de restricties waar het titelpersonage in haar solitaire guerrilla tegenaan loopt.
Hoe intrigerend Vandekeybus zijn opwindende danstaal ook inzet als interpretatief commentaar op het libretto als historisch artefact, feit blijft dat het narratieve spoor wel erg traditioneel wordt verbeeld. Net omdat Vandekeybus het verhaal niet volledig ontmantelt, blijft hij er wat ongemakkelijk aan vasthangen. Zo dobbert tussen de tijdloze demon van Don José’s onstilbare huidhonger en het hier en nu van een queercommune die bronstig verleidt, een quasi stereotiep register met smokkelaars, soldaten en maagdelijke hindes in onbevlekt wit.
Vandekeybus ontkracht met verve de fabel van Bizets simplistische universum waarin mannen vrouwen tot prooi maken, maar waarom die koortsdroom toch als een onschuldige verkleedpartij opvoeren? Zo vergaloppeert Vandekeybus zich in Bizets hartverscheurende slot, waarin de verzamelde menigte het aanstaande bloedvergieten fêteert. Door met man en macht alles (en iedereen) uit de kast te halen, wordt de finale in deze productie al te geanimeerd – terwijl Carmen als randfenomeen donders goed weet dat ze op het punt staat geofferd te worden.
Tussen alle virtuoos gechoreografeerde vitaliteit, loopt mezzo-sopraan Raehann Bryce-Davis trouwens een beetje verloren. Haar titelrol onderscheidt zich eerder met romantische wolligheid dan met kittig temperament – noem het origineel gecast, maar een onsterfelijke femme fatale is ze in geen geval. Tenor Joel Prieto doet wat men van een Don José mag verwachten, zij het dat hij aan de nuance van sopraan Maeve Höglund (Micaëla) nog een puntje kan zuigen.
De ware revelatie heet echter Keren Kagarlitsky. De dirigente verstaat de kunst om Bizets hitparade vooral niet op te dirken met allerhande opsmuk. Met aandacht voor solisten en vanuit een ongeveinsd instinct voor melodie en harmonie, mag ‘Carmen’ van haar fonkelen in al zijn complexloze brille. Nog maar halverwege de dertig, belooft haar toekomst een doorbraak op de grootste internationale podia.

Gezien & gehoord in Opera Antwerpen op 2/6/2026.
Copyright foto: Wim Vandekeybus
