Een dichter fluistert zijn eerste woorden

Een dichter fluistert zijn eerste woorden

Paul Demets, ‘De doodstrompet’ 4 out of 5 stars

In zijn nieuwe bundel De doodstrompet kijkt Paul Demets (1966) terug op wat hem na een bijna fatale hartaanval is overkomen. Poëzie van een dichter die is opgestaan, om met heldere blik over zichzelf, zijn omgeving en de samenleving te schrijven.

Het is vast geen toeval dat Demets dit keer zijn bundel opent met een citaat uit de Metamorfosen van Ovidius (43 v. Chr. – 17 n. Chr.). De Romeinse dichter, wiens virtuositeit alom werd geprezen, werd in het verleden niet altijd juist geïnterpreteerd. Hij was zoveel meer dan een aangename verteller die door sommige classici niet altijd au sérieux werd genomen.

Zou het kunnen dat hij, volgens dichter en classicus Piet Gerbrandy in diens essaybundel Het woord en de wereld, staat voor instabiliteit? Voor een onzeker en angstaanjagend tijdperk waarover Demets het eerder al had? Denk aan de verloedering van de natuur door de mens, het harde boerenleven of het gevaar van extreemrechts. En dan zijn er nog de bundels over kunstenaars die hem na aan het hart liggen. Gedichten die hij, in tegenstelling tot vroeger, nu voluit durft te publiceren.

De dichter is zijn stem kwijt

Op 6 mei 2015 ging het licht plotseling bij hem uit: de dichter werd door een hartaanval geveld. Dankzij een snelle medische ingreep ontsnapte hij aan de dood. “Sindsdien,” zo zegt hij, “kon ik aan mijn tweede leven beginnen.” Maar hoe instabiel was dat leven geworden? Zou het hem lukken de chaos waarin hij was getuimeld te ordenen in persoonlijke lyriek? Het antwoord is volmondig: ja.

Het is een ingrijpende en intense periode waarin hij in De doodstrompet reflecteert. Net zoals in zijn vorige bundels – hij houdt immers van overzichtelijkheid – heeft hij ook dit keer zijn gedichten in vijf, dit keer medische begrippen ondergebracht: auscultatie (met stethoscoop luisteren naar geluiden), extirpatie (operatief verwijderen uit het lichaam), hypoxie (zuurstoftekort in de weefsels), palpatie (betasting) en remissie (tijdelijke verbetering).

Voor een goed begrip: de hele bundel is veel meer dan het definitieve einde waar simpelweg niet aan te ontsnappen valt, daar is de levensdrift van de dichter nu eenmaal te groot voor.Het begint met een desintegratie van het lichaam; er zit niets anders op dan alles lijdzaam te ondergaan.

De dichter, door angst en twijfel overmand, is zijn stem kwijt, fluistert woorden in het vertrouwde huis, waar hij de weg is kwijtgeraakt. Hoe alles los komt te staan: er zijn regels als ‘ik droomde dat ik over ons huis vloog, maar ik miste vleugels’ en ‘ik bewoog mij tussen vliezen/en voelde je vingers, hoe vloeibaar je werd’. Twee regels geplukt uit poëzie die per definitie gebaseerd is op ritme, herhaling van klanken, ritme en waarom ook niet metaforen.

Zo is de boom als metafoor manifest aanwezig in de gedichten van Demets. Er staat: ‘Is een boom in zijn schaduw/werkelijk? Waar hij is/ ontstaat betekenis.’ ‘Er zijn de berken die de horizontlijn tergen, of buiten een gestolde beweging zijn’. ‘Er is de treurwilg die smalle juwelen draagt’. Het lijken allegorische regels waarin de symboliek van de boom een hogere werkelijkheid representeert. Een onverzettelijkheid die contrasteert met de broosheid van een menselijk lichaam.

Het verlangen in het lijf is terug van weggeweest

Het siert Demets dat De doodstrompet zich niet als een lange treurzang laat lezen. Het noodlot dat de dichter overkwam, heeft hij in een naar een joie de vivre neigende context weten om te buigen. Vanaf de maand mei is het verlangen in het lijf terug van weggeweest: ‘Mei haalde zijn vingers door de populieren.’ De dichter recht zijn rug, heeft zichzelf bijeen geraapt, omarmt zijn geliefde. Tijd om een nieuw hoofdstuk in zijn leven aan te snijden.

‘Je huid als een nachtjurk opgeschoven,
je hals klam, je vingertoppen legden de afstand
tot mijn borstkas af. Je slikte. De eerste woorden
fluisterden de ochtend wakker in je mond.

Alles werd vloeibaar.
Alles kwam ten einde toen alles herbegon.’

Het mag opmerkelijk worden genoemd dat de dualiteit tussen leven en dood Demets’ maatschappelijk engagement geenszins heeft aangetast. Een gedicht zoals ‘Mijn lichaam zwierf’ laat zich lezen als een eerbetoon aan Max Azzarello, een student antropologie, die zich als protest tegen het zwijggeldprotest tegen president Donald Trump in brand stak, waarna hij in een ziekenhuis is gestorven.

En wat te denken bij deze niet-mis-te-verstane regels:

‘De zichtbaren sleepten hun rubberboot op het strand,
een zwarte engel die zijn vleugels niet meer zou gebruiken.
Ze probeerden wieren, mosselen, kokkels. Ze hongerden

en keken ons strak in het gezicht, maar niemand die hen
opmerkte. Ik zag hoe de strandgangers
hun de rug toekeerden. Ik wilde naar hen toe,
maar mijn lichaam bewoog niet.

Zo ver ik kon kijken, bleven de zichtbaren
ongezien.’

Klinkt hier een luid protest? De dichter die niet langer wil fluisteren, maar roept tegen het onrecht? Demets heeft met De doodstrompet alweer een puntgave bundel afgeleverd. ‘Hartverwarmende poëzie’ die het verdient om met toeters en bellen onder de aandacht te worden gebracht.

Related Images:

Carlos Alleene