Een schrijver doorgelicht
‘Cahier Jeroen Brouwers’: de pen los krijgen in brieven 
Vier jaar na zijn dood is Jeroen Brouwers (1940-2022) nog steeds niet in de obscuriteit verdwenen. Zo verscheen vorig jaar ‘Cahier Jeroen Brouwers’, een jaarboek in de vorm van een luxueus magazine, waarvan intussen nummer 2 in de betere boekhandel ligt.
‘Cahier Jeroen Brouwers’ is een initiatief van Stichting Brouwers, door de auteur zelf anno 2001 in het leven geroepen. Na zijn overlijden werd deze operationeel onder het voorzitterschap van zijn weduwe en literatuurprofessor Gwennie Debergh. De bedoeling is correspondentie, paperassen en zeldzame documenten uit zijn omvangrijk archief boven te spitten, om ze vervolgens te publiceren.
Echt nieuw is het idee niet. Met ‘Feuilletons’ had Brouwers al een eenmanstijdschrift waarin hij van alles ventileerde wat hem dwarszat in het literaire wereldje. Geen heikel onderwerp ging hij uit de weg. Wat uit zijn pen vloeide was polemiek van een grootmeester, die zijn kookpotten met kritiek op het fornuis van een driesterrenrestaurant liet pruttelen. Een niveau dat in ‘Cahier Jeroen Brouwers’ wordt gehandhaafd en waarin alle facetten van de schrijver tot op het bot worden blootgelegd.
Wie had er weet van dat hij destijds voor de job van redacteur solliciteerde bij De Arbeiderspers, zijn latere uitgever? Of dat hij een immense hekel had aan optreden voor een publiek? Een en ander kwam al uitvoerig aan bod in de eerste editie van het jaarboek, net als zijn fascinatie voor filmsterren als Jean Seberg en Nicole Kidman.
Het internaat als oord van verschrikking
Vrouwen, onbeantwoorde liefdes. Ze tonen een kwetsbare schrijver die in de cahiers niet als een literaire god op het schild wordt gehesen. Leden van Stichting Brouwers brengen de schitterende stilist die hij ooit was, terug tot mensenmaat. Een man die niet ongevoelig was voor vrouwelijk schoon. Er is in dit tweede cahier Mariska Hammerstein, die in een uitvoerige bijdrage schrijft hoe Brouwers eind jaren tachtig stapelverliefd op haar was. Tot een echte relatie kwam het niet.
Toch komt de vrouw in ‘De zondvloed’ in beeld, alsook in ‘Zomervlucht’, waarin zowel haar voornaam als familienaam wordt vermeld. Toen ze Brouwers na een jarenlange correspondentie in februari 2002 tijdens de pauze van een muziekvoorstelling in de Rode Hoed in Amsterdam ging opzoeken, keek hij haar aan en zei: ‘Je moet me even helpen. Wie ben je ook alweer?’
Dat hij bepaald niet positief stond tegenover de Katholieke Kerk is een understatement. Een houding die alles te maken had met het internaat waar zijn ouders hem, na hun terugkeer uit Indonesië, heen hadden gestuurd. Een oord van verschrikking waarnaar in zijn door religie doordrenkte roman ‘Bezonken rood’ verwezen wordt. Later rekent hij radicaal met het katholicisme af in ‘Het hout’, waarna hoogleraar Jos Joosten zijn essay ‘Litanie en gebed in Bezonken rood’ besluit met:
‘Uit Bezonken rood spreekt geen antipapistische haat, maar vooral onverschilligheid en hooguit bewondering voor het talige van de rituele teksten. Het is geen, om die vergelijking dan toch maar te maken, felle aanklacht als: waarom heeft God Auschwitz toegestaan?’
Hij speelde de rol van coach
De tweede editie van dit wederom subliem vormgegeven cahier opent met brieven van Brouwers aan Joost Zwagerman. Johan Vandenbroucke pluisde deze lezenswaardige hoofdmoot door en voorzag ze van commentaar. Wat hem hierbij opviel, is dat Zwagerman, ook al had hij de status van bestsellerauteur, altijd als eerste contact opnam met Jeroen Brouwers.
Het was een soort meester-leerling-verhouding, waarbij Brouwers de rol van coach speelde en hem bijvoorbeeld adviseerde niet te reageren op een negatieve recensie. Volgens Zwagerman waren ze niet dezelfde briefschrijvers: ‘Jij correspondeert om de pen “los” te krijgen, om even aan de zijlijn van het veld wat sprintjes te trekken alvorens aan het échte werk te gaan. Zo kan ik dat niet.’ Hun correspondentie stopt in april 2015, waarna Zwagerman op 8 september van datzelfde jaar zelfmoord pleegde.
Een gesprek met grafisch vormgever Karel Martens onthult dat Brouwers eiste dat ‘Cliënt E. Busken’, zijn laatste roman, niet uitgevuld mocht verschijnen. Marc Beerens schrijft over zijn verblijf in Nijmegen, waar Brouwers stukken leverde voor het soldatenblad Salvo. Joris van Casteren verklaart waarom het nooit tot een ontmoeting met de schrijver in Zutendaal is gekomen. Hoe het uiteindelijk zat tussen Brouwers en de vorig jaar overleden dichter Leonard Nolens, belicht René Franken in ‘Woorden als mooi, uniek, boeiend’.
‘Cahier Jeroen Brouwers 2’: uniek beeldmateriaal, pittig geschreven stukken en verrassende vondsten uit zijn archief. Wat verlang je als lezer nog meer?

