Verkennend voelen en verlangen met Nachtatlas

Verkennend voelen en verlangen met Nachtatlas

Peter Verhelst, ‘Nachtatlas’ 4 out of 5 stars

Als er één dichter is die het hele spectrum aan gevoelens en gewaarwordingen van mens tot vleermuis tot boshyacint in taal zou kunnen vatten dan is het misschien wel Peter Verhelst. In zijn nieuwste bundel ‘Nachtatlas’ verkent hij in drie delen liefde via stiltes, mensen via landschappen en sterven via licht.

De motto’s die naar de hoofdstukken verwijzen, staan vooraan in de bundel, maar bieden een zekere houvast.   

Stiltes die ja zeggen

Het eerste motto, ontleend aan Bob Dylan, luidt ‘My love she speaks like silence’ (Bob Dylan, Love minus zero/ no limit). In dit eerste deel verbeeldt Verhelst in alle mogelijke sensuele taalvormen de relatie tussen liefde en stilte.

Eeuwig zal de droomboom / door ons heen groeien, hadden we zo graag willen hopen. / Laten we gaan liggen voor het te laat is, doorweekt, / haren, tanden, vingers, ogen: los op in zachte, milde , wijde stilte.

Die liefde is een vorm van zwijgend ja-zeggen, van instemmend samenzijn. Daarbij horen de routines van het samen horen, maar ook het ja-zeggen tegen het leven, in al zijn facetten. De lichamelijkheid die bij liefde hoort, krijgt bij Verhelst vaak een vervreemdende gewelddadige lading. Alsof het geweld in de wereld fysiek verankerd raakt.

Ik kan gekerm horen in de ceder van Libanon. Met mijn voorhoofd

tegen de stam zeg ik wat ik nooit uitgesproken kreeg, nooit

Mythisch bewustzijn

Herkenbaar aan de stijl van Verhelst is de cumulatieve opbouw van mythe naar wetenschap, waarbij mythe en wetenschap elkaar versterken en als structuren in elkaar haken. Het lijkt alsof beide aspecten nodig zijn om ‘mens’ en ‘wereld’ te verklaren.

De tijdruimte waarin de poëtische vertelling zich afspeelt, is aanvankelijk mythisch:  

Onze schaduwen kropen op elkaar, / verhardden met de jaren – mensenheugenis – kromden zich / Als vuisten rond lucht en maakten zo grotten.

Zoals in verschillende van Verhelsts verhalen, appelleert de taal aan een mythisch bewustzijn van grotten en vuur.

Jij tussen mij en het vuur. Jij, getekend met houtskool op mijn buik.

Zeg zoals alleen jij dat kan zeggen met je ogen, met je frons, met het wiegen

van die heupen van je, nog één keer voor je wegvalt, zeg ja.

Moleculen benoemen

De mythe maakt geleidelijk aan plaats voor een wetenschappelijk wereldbeeld. Waar eerst vuur en de grotten het denken structureren, verschijnen nu moleculen, celdeling en evolutionaire processen die leven creëren. Toch biedt deze verschuiving geen houvast: menselijke emoties als hoop, pijn en verdriet spatten in stilte uit elkaar.

Weg voorbij hoop, voorbij pijn, voorbij verdriet

hoop voorbij, pijn voorbij, verdriet voorbij, hoe noemen we

wat ons lichaam aan het worden is, een zwerm die uiteenvalt

in moleculen en moleculen in atomen en atomen in kern en elektronen

Alles wat bestaat ontvouwt zich en klapt weer in. Het resultaat is een bewustzijn dat zijn eigen vergankelijkheid ervaart, als een verinnerlijkte vorm van geweld die via de taal weer uitgeademd wordt. Herhalingen bezweren de taal tot een ritueel van verlatenheid.

Ik was een kind en gooide me van de rots af om de golven,

net over hun hoogtepunt, in scherven over me heen te laten vallen,

me over de bodem te laten slepen, tollend, geschaafd, zand in de mond en oren,

elke keer opnieuw dat geweld van instortende gebouwen.

En:

Ik was een kind en gooide me van de rots af de rivier in,

dook en ademde uit om nog dieper te zinken waarna

ik me liet meedrijven. Jij stond met de rode doek over je hoofd

te wachten. Ik schuurde met mijn buik over de grond

Mochten we mensen openmaken zouden we landschappen vinden

Si on ouvrait les gens, on trouverait des paysages.

(Agnès Varda, Les plages d’Agnès)

Met dit tweede motto verschuift Verhelst de blik naar het innerlijke van de mens. In ‘Les plages d’Agnès’ spreekt Varda over de landschappen die ze in zich draagt.  Het motto wordt verweven met  een verwijzing naar ‘Ware dromen’ van Lucianus van Samosata waarin de droomwereld op gewelddadige wijze wordt gefantaseerd tot een symbolisch landschap.

Ergens in de atlas met bladen van zwart glas

bewasemd met stofnevels en gaswolken

moet zich die ene planetoïde bevinden

in de vorm van een schip en een eiland

en een vrouw en een lynx

en een mes en een roos tegelijk.

Het taalgebruik doet denken aan moderne sprookjes, zoals die van Oscar Wilde (‘De nachtegaal en de roos’),  maar ook aan surrealistische beelden zoals ‘Droom veroorzaakt door de vlucht van een bij rond een granaatappel een seconde voor het ontwaken’ (1944) van Dalí. In beide gevallen wordt schoonheid overmeesterd door geweld. Dit beeld keert terug in het terugkerend motief van het mes, zoals ook blijkt uit ‘Tongkat’:

Elke nacht droom ik van een mes dat bekleed is met het hart van mijn zoon.

Net als in ‘De nachtegaal en de roos’ waar het hart van de nachtegaal wordt doorboord om liefde mogelijk te maken, wordt het mes van Japetus, de vader van Prometheus, maar ook van Atlas, bekleed met het hart van zijn zoon.  De planetoïde doet zo denken aan de derde maan van Saturnus, ook Iapetus genaamd.

Intrede van het Afrikaanse landschap

De aanwezigheid van Afrikaanse dieren, zoals oryxen, koedoes en jakhalzen, in combinatie met de verwijzing naar Kaapstad, roept een Afrikaans landschap op.  Maar ook hier gaat het niet louter om een geografische ruimte. Het landschap wordt verinnerlijkt, opgenomen in het lichaam.

In ‘Asof geen berge ooit hier gewoon het nie’ van Pieter Oodendaal zien we een verwante wisselwerking tussen kosmos en voorouders (denk aan Iapetus en ‘saturnus se sexy hula hoops’).

My voorouers is om my

In die opneem van asem

In die gras en die somers

En die auroraligte

In die hemele van my brein

Hulle keer terug tot atmosfeer

Wanneer hul koolstofkettings

Ontkoppel en verwaai

Soos die verdamping

Van water uit die see

Het ritme van de zee, doet dan weer denken aan Agnès en de beelden van de Noordzee.  

We lopen op het water en we. En we lopen op het water en we.

De herhaling en afgebroken syntaxis verstoren de leesbaarheid van de zin, wat, in combinatie met woorden als ‘lichaam’, ‘oever’ en ‘dromer’ een bezwerende dimensie krijgt. Alsof het onderbreken van de zin de mogelijkheid om over water te lopen mogelijk maakt.  

Je buigt je over het lichaam heen

alsof je het wil openmaken (er het deksel van afnemen)

en daar (hoe kleurrijk) openbaart zich het landschap

(mangrovewouden, boomgaarden, heuvels en meer)

en erboven gloort de nieuwe ochtend

(verblindend)

Tegen het uitdoven van het licht

                (…) against the dying of the light  

(Dylan Thomas, Do not go gentle into that good night)

Met het derde en laatste motto betreedt Verhelst een uitgesproken existentiële ruimte, de ruimte van het verdwijnen. De poëtische taal biedt geen verzet tegen het verdwijnen, maar tast af wat uitdoven betekent, voor het zich voltrekt.

Centraal daarin staat de aanroeping:   

Gij.

Deze aanspreking opent een veld van onzekerheid, wie is immers de ‘Gij’ die wordt aangeroepen? Is het de lezer? Is het de goddelijke schepper? Is het de dood? Is het alle bestaansvormen tezamen?

Gij, formule van het universum

Gij, goochelaar die met de ene hand betekenis laat verdwijnen en met de andere hand verdriet onthult, quid pro quo, wat je wegneemt moet in een andere vorm worden omgezet, geen energie gaat verloren. Met de ene hand laat gij pijn opflakkeren en met de andere hand streelt hij de liefde heel traag; met de ene hand duwt gij baby Gemis onze richting uit en met de andere hand breekt gij de tere hals ervan.

Het woord ‘formule’ lijkt opnieuw een verwijzing naar een wetenschappelijk register, maar in combinatie met de aanhef ‘Gij’ krijgt die formule een religieuze lading. Alsof het bestaan zelf ter verantwoording wordt geroepen voor zijn aandeel in het menselijk verlies.

De combinatie van ‘baby’ met ‘Gemis’ suggereert een schepping die onmiddellijk vernietigd wordt, of langzamer, zoals in het motief van de zelfdoding.  

Zo eenvoudig is het voor een mens om uit het leven te vallen. Voor een mens om uit het leven te stappen. Uit het leven te worden gedragen. Als het leven uit ons stapt. Als het leven uit ons wordt gedragen.

In deze passage verschuift het perspectief op wie handelt, en uiteindelijk agency heeft. Eerst is er de mens die ‘uit het leven valt’, het vallen zorgt ervoor dat hij actief wordt en ‘stapt’ waarop hij passief ‘uit het leven wordt gedragen’. Subject en object wisselen vervolgens van plaats, waardoor de menselijke agency oplost. Het leven stapt nu uit ons en wordt uit ons gedragen.

Een dynamisch universum

Er gebeurt veel in deze bundel, maar wat opvalt is dat alles beweegt, verschuift, uit elkaar spat en weer hervormd wordt.  

‘Nachtatlas’ is een doordringende bundel waarin dood zich via licht manifesteert, waarin mensen als landschappen kunnen worden gelezen en waarin de liefde in stilte zit.

Related Images:

Jessica Van Wynsberge