Wat we kunnen weten – Ian McEwan en het morele labyrint van de toekomst
Ian McEwan, ‘Wat we kunnen weten’ 
2119, de verre toekomst. In de nieuwste roman van de veelgelauwerde Britse schrijver Ian McEwan (°1948), de grootmeester van het morele labyrint, is het een tijdperk waar het effect van de ‘Omwrichting’ en de ‘Overstroming’ meer dan overduidelijk is. Engeland blijkt nog slechts een halfvergeten eilandenarchipel, internet ligt in de handen van Nigeriaanse datacenters. Op zich is deze apocalyptische toonzetting best bijzonder, toch schemert in zijn inmiddels achttiende roman wat hoop door.
Zoektocht naar een verdwenen sonnettenkrans
‘Wat we kunnen weten’ is geschreven in de vorm een tweeluik. In de eerste helft van het verhaal volgen we mee de obsessieve zoektocht van literatuurwetenschapper Tom Metcalfe, verbonden aan de Universiteit van de South Downs, naar een verloren gewaande sonnettenkrans:
Waar het in wezen om draaide was de biografie van een niet-bestaand werk, waarvan de reputatie was blijven voortbestaan. Toch kon ik mijn heimelijke hoop, die was gebaseerd op één redelijke aanname en één mogelijkheid, niet laten varen. Het was ergens en ik moest en zou het vinden.
Kennis als last of bevrijding?
Een door dichter Francis Blandy aan zijn vrouw Viviane opgedragen gedichtenreeks werd ooit in 2014 mondeling voorgedragen. Het gedicht in kwestie werd echter nooit teruggevonden en elk verder spoor ernaar ontbreekt. Metcalfe blijft desondanks een hardnekkig vermoeden hebben dat deze sonnettenkrans nog bestaat, mogelijk ergens in een deel van Engeland dat (nog) niet aangetast is door de alsmaar stijgende zeespiegel. Klimaatfictie? zeker! Al is er ook veel meer aan de hand.
Gaandeweg blijkt Metcalfes’ obsessie met de sonnettenkrans een allegorie voor onze omgang met kennis, herinnering en waarheid. Zo roept de ruimschoots ervaren Britse schrijver (o.a. ‘Atonement, ‘In chesil beach’,..) in zijn nieuwste roman allerlei vragen op over obsessieve, academische fixatie, over de selectiviteit en (on)betrouwbaarheid van herinnering, en vooral over, zoals de titel al suggereert, de grenzen van wat we kunnen weten. Zoals bijvoorbeeld de netelige informatiekwestie: is die eerder als een last of als een bevrijding te beschouwen?
McEwan lijkt in zijn nieuwste roman erop te wijzen dat kennis zowel bevrijdend als verstikkend kan werken. De onophoudelijke zoektocht van Metcalfe naar een sonnettenkrans die misschien nooit heeft bestaan, is daarom ook een uiterst krachtige, diepgaande metafoor voor onze menselijke drang naar betekenis, zelfs als die betekenis ongrijpbaar blijft.
De toekomst verbeelden
McEwans’ keuze om zijn verhaal in een verre toekomst te plaatsen blijkt een erg geslaagde keuze. Zo kan hij ook heel vrijuit terugblikken op het huidige tijdsgewricht. Daarbij hint hij sporadisch, met licht vileine, sardonische en spitsvondige humor, naar de sociale, politieke en technologische actualiteit. Volgende passage waarin McEwan zich over de impact van hedendaagse technologie en artificiële intelligentie buigt, maakt dat inzichtelijk :
‘Als je wilt dat je geheimen bewaard blijven, fluister ze dan in het oor van je beste vriend of vriendin, die je het meest kunt vertrouwen. Vertrouw ze niet aan het toetsenbord en het scherm. Als je dat wel doet, komen we alles aan de weet’.
Net zoals hij elders onder meer ‘we hebben het verleden van zijn privacy beroofd’ of ‘humor is grotendeels het domein van de spitsvondige jeugd‘ laat optekenen.
Vanuit literair perspectief beschouwd sluit McEwan aan bij een bredere culturele traditie waarin ook schrijvers zoals George Orwell (o.a. ‘1984’), Margaret Atwood (o.a. ‘The handmaid’s tale’,..) zich situeren. Ook zij beschrijven immers een toekomstige tijd om van daaruit hedendaagse fenomenen en trends te gaan analyseren. Ook in de wereld van de film (‘Blade Runner’, ‘Dune’,.. etc) komt die specifieke strategie voor. In het geval van McEwan zorgt het ook voor een grote afstand ten overstaan van de hedendaagse realiteit waarbij de verbeelding van de schrijver echt voluit kan gaan.
Narratieve wending
Knap is ook hoe halverwege McEwans’ roman schakelt naar het verhaal van Vivien Blandy. Zij blijkt over een bijzonder complexe persoonlijkheid te beschikken, waarbij haar motieven en keuzes het verhaal abrupt en onverwacht een heel andere richting in sturen. Haar stem blijkt niet slechts een aanvulling op wat eerder aan bod kwam, maar eerder een bijsturing of correctie. Eerdere aannames worden daarrmee in vraag gesteld, waarmee McEwan ook duidelijk wil maken dat kennis nooit écht volledig zéker is. Waarheid is immers altijd gefragmenteerd en zodoende dus in zeer sterke mate afhankelijk van de bron of vertelperspectief.
‘Wat we kunnen weten’ bestaat uit twee heel erg knap geconstrueerde verhalen die wondermooi in elkaar passen. Daarbij dient zeker ook vermeld dat McEwans’ schrijfstijl doordacht, elegant en helder is. Tegelijkertijd kan je ook niet anders dan vaststellen dat de Britse schrijver bij enkele klassiekere stokpaardjes – zo heeft hij ook nu weer wat plagerige kritiek op de jeugd, op het onderwijs en universiteiten, blijft hangen. Wat ook blijkt uit volgende passage:
‘Biotechnologie had de grenzen tussen de commercie en de academische wereld vervaagd, de jongeren liepen weg bij literatuur en geschiedenis om rijk te worden in de financiële sector, ondergekwalificeerde buitenlandse studenten werden toegelaten als melkkoeien en wij, de oude garde, maakten bezwaar tegen dit alles en verdedigden ons slinkende terrein van de geesteswetenschappen, waarop nog niet zo werd gekort als elders gebeurde, maar waar de medewerkers wel gedemoraliseerd en onzeker waren geworden, want onze oude centrale positie in de cultuur was verleden tijd en onze verschillende vakgebieden waren verzand in de postmoderne reuring van de diverse interne twisten over ’theorie’, ras, gender of maatschappelijke uitsluiting, gevechten die vooral tussen generaties werden uitgevochten en die onnatuurlijk fel waren.”
Een ode aan literatuur en poëzie
‘Wat we kunnen weten’ valt daarnaast ook te lezen als een ode aan de literatuur zélf. Immers: door de obsessieve zoektocht naar een verloren gewaande sonnettenkrans centraal te stellen, benadrukt McEwan bij uitstek het belang en de blijvende waarde van poëzie en kunst in een wereld die daaraan soms lijkt voorbij te gaan. Immers: ‘poëzie diende de mens het langst‘, al zijn er soms ook omstandigheden waarin proza boven poëzie gaat.
McEwan doet zijn naam als grootmeester van het morele labyrint alle eer aan. Zo zet hij de lezer oook nu weer aan tot reflectie op onze huidige tijd, waarbij hij niet zeker niet voorbijgaat aan morele ambiguïteit en existentiële vragen. De sonnettenkrans is immers een symbool van wat verloren dreigt te gaan, maar ook van wat ons écht menselijk maakt.

