Kunst als medicijn
Daisy Fancourt, ‘Kunst als medicijn’ 
In ‘Kunst als medicijn‘ onderzoekt de Britse hoogleraar Daisy Fancourt (°1990) binnen de context van een maatschappij die op het belang van gezondheid hamert een fundamentele vraag: kan kunst dezelfde positieve effecten, vergelijkbaar met traditionele medische interventies, op onze gezondheid hebben ?
Kunst als vijfde gezondheidspijler
Aan de hand van jarenlang wetenschappelijk onderzoek poogt de Britse academica, professor biopsychologie en epidemiologie aan het University College London, te beargumenteren dat dit het geval is. Kunst en cultuur, zo betoogt ze, betekenen zoveel meer dan louter tijdsverdrijf, ontspanning of luxe. Fancourt beschouwt kunst in de breedste betekenis van het woord, van muziek en literatuur tot theater, dans en beeldende kunst, als een vijfde gezondheidspijler naast voeding, beweging, slaap en natuurbeleving.
Tussen creativiteit en wetenschap
Interessant is hoe Fancourt in haar boek op zoek gaat naar allerhande dwarsverbanden tussen (psycho)biologie, gezondheid en het brede veld van de kunsten. Vanuit een heel eigen, wetenschappelijk onderbouwde, lens kijkt zij naar verschillende studies en case-studies. Zo stelt ze dat er ‘een indrukwekkende berg bewijsmateriaal (is) ontstaan’. Uit die veelheid aan onderzoeken en data blijkt dat, wat we intuïtief al aanvoelen maar nu ook in wetenschappelijk opzicht bevestigd weten, creatief werk en kunsten in biologisch of mentaal opzicht onbetwistbaar positieve effecten kunnen genereren. Zowel in brede zin als ten aanzien van wat specifiekere doelgroepen.
De biologische en mentale impact van kunst
De lezer ontdekt zo hoe muziek bijvoorbeeld een prima uitweg kan zijn voor gevoelens van isolement of depressie. Evenzeer toont Fancourt aan hoe heilzaam drummen kan zijn bij personen met een mentale beperking of benadrukt ze de gunstige effecten van zang bij mensen met een postnatale depressie. Het zijn slechts enkele van de talloze voorbeelden die ze in haar boek aanhaalt. Hoe opvallend deze effecten/resultaten ook zijn, toch worden deze, helaas, niet structureel ingezet.
Kunst verandert levens
Aan het begin laat ze bijvoorbeeld voormalig patiënt en nu succesvolle schilder Russell Haines aan het woord : ‘Hoeveel verschil denk je dat die schilderlessen voor jou hebben gemaakt? Hoe groot is de impact ervan geweest? Hij zei zonder enige aarzeling: ‘Het heeft mijn leven gered’.
Haines is een van de velen die uit eigen ervaring spreken. Telkens weer blijkt hoe enorm impactvol kunst en cultuur kunnen zijn voor hun respectievelijke levens. Zo stelt de Britse academica vast dat mensen met een depressie twee keer zoveel vooruitgang laten zien wanneer creatieve therapie wordt toegevoegd aan standaardbehandelingen. En dat regelmatige deelname aan theater, liveconcerten, musea en galerieën het risico dat je in de komende tien jaar een depressie ontwikkelt, halveert (!). Kunst is zo, zoals Fancourt stelt, de vijfde pijler.
‘Kunst als medicijn’ is een belangrijk boek in die zin dat het een verfrissend perspectief biedt op wat ieder van ons intuitief al aanvoelt. De gedachte bijvoorbeeld dat kunst en cultuur heilzaam zijn voor lichaam en geest, zal maar zelden tegengesproken worden. Ander onderzoek ondersteunt de ’terugverdieneffecten’ van creatieve en artistieke praktijken in termen van gezondheid. Of zoals Fancourt zelf stelt:
“Wat mij vooral heeft verrast zijn de biologische effecten: kunstparticipatie heeft evident een gunstige uitwerking op het immuunsysteem, het cardiovasculaire systeem, de productie van stresshormonen. Dat zijn opwindende, objectieve data. En dit is nog maar het begin, we weten nog lang niet alles.’
Kunst in de spreekkamer
Dat Fancourt best helder en zonder academisch jargon complexe wetenschappelijke onderzoeken in het dwarsgebied tussen biologie, psychologie en kunst/cultuur bevattelijk weet over te brengen is absoluut een verdienste. Zij wil met dat boek overigens ook niet zozeer bewijzen dat kunst een soort wondermiddel is dat medische zorg kan vervangen. Wél stelt ze hoopvol vast dat kunst als medicijn beschouwd kan worden. En dat het maar langzaam in medische kringen voorkomende ‘kunst op voorschrift’, zeker bij patiënten waar de sociale/psychologische behoeften groot zijn én mits goed gedoseerd toegepast, best breder ingang mag vinden.
Tegelijkertijd herinnert Fancourt eraan dat het zaak blijft om zeker ook oog te blijven hebben voor de minder heilzame effecten van kunst en cultuur. Zo herinnert ze er meermaals aan dat correlatie niet hetzelfde is als causaliteit. En dat het dus nodig blijft om met kritische blik naar onderzoek rond kunst, die Fancourt dus bijzonder ruim / breed interpreteert, en gezondheid te blijven kijken. Ook al omdat de precieze biologische mechanismen en de omvang van de effecten, ondanks de veelheid van onderzoeken en materiaal, onderwerp van debat blijven.
Hoewel de onderzoeksresultaten indrukwekkend zijn, blijft de vraag in welke mate kunst daadwerkelijk de oorzaak is van gezondheidsverbeteringen. Mensen die reeds actiever, sociaal sterker ingebed of financieel comfortabeler zijn, nemen immers mogelijk vaker deel aan culturele activiteiten.
Een warm pleidooi voor creatieve gezondheid
‘Kunst als medicijn’ blijkt een fascinerend en actueel boek te zijn. Fancourt maakt inzichtelijk dat kunst zoveel meer is dan luxe of tijdverdrijf. Daarnaast geeft ze goed aan hoe kunstparticipatie en creatieve praktijken een fundamenteel onderdeel van een gezond leven zijn, bijvoorbeeld door de sterke inzet op sociale verbondenheid. Deze vormen dus een belangrijke investering in menselijk welzijn, eerder dan een kostenpost. Voor lezers met een brede interesse in o.a. psychologie, gezondheidszorg, cultuur en wetenschap is dit een waardevolle uitgave.

