Van afleiding en verveling tot verbeelding

Van afleiding en verveling tot verbeelding

Johannes De Breuker, ‘Liever lui dan moe’ 3 out of 5 stars


De Belgische filmjournalist en recensent Johannes De Breuker (1988) beschrijft in zijn nieuwe
boek ‘Liever lui dan moe’ zijn moeilijke relatie met hedendaagse technologie. Die insteek vormt de
basis voor een hybride cultuur-essay. Persoonlijke zelfanalyse geraakt zo vermengd met allerlei reflecties omtrent technologische consumptie en hedendaagse cultuur. Dat levert een interessant boek op, al slaagt
het er niet altijd in om de eigen ambities te beantwoorden.


Een hybride cultuur-essay


Elementen zoals verveling, aandacht en (digitale) overprikkeling beschouwt hij vanuit een cinefiele blik. ‘Liever lui dan moe’ wordt zo sterk aangedreven door een uitgesproken voorliefde, of eerder : ongebreidelde passie – voor film, cinema en cultuur. Dat maakt dat De Breuker die eerder al
voor Knack Focus, Rekto:verso en filmmagazine Humbug stukken over film en cinema schreef en in het dagelijkse leven de filmprogrammatie in De Cinema (nvdr: de bioscoop van het M HKA, Antwerpen) opvolgt, in zijn nieuw boek overgaat tot een wat breder opzet, waarbij hij vooral poogt te argumenteren dat cinema een therapeutische kracht heeft.


In ‘Liever lui dan moe’ gaat het niet énkel over films. In de kern wil De Breuker vooral de poëzie van het alledaagse beklemtonen. Net zoals hij het enorme potentieel van verveling, een onuitputtelijke bron van verwondering en creativiteit, wil proberen vast te leggen. Dat levert soms sterke passages op, zeker daar waar hij de lezer uitnodigt tot traagheid, aandacht en reflectie. Daarmee sluit De Breuker wel aan bij reeds bestaande discoursen rond digitale detox, aandachtseconomie en slow living.


Drie grote lijnen


Inhoudelijk brengt de auteur drie grote thema’s naar voren. In eerste instantie verveling die als een bron van creativiteit en als tegenkracht van digitale prikkels geldt. Daarbij aansluitend richt hij zich ook op de manier waarop hedendaagse technologie onze aandacht versnippert. Daarbij licht hij met voorbeelden toe hoe net traagheid aandacht kan helpen herstellen. Finaal richt hij zich ook op digitale cultuur.


Zo beschrijft hij onder meer hoe hij als jonge vader vastloopt in doomscrolling. Best herkenbaar, al
geldt dat ergens ook voor zijn nostalgische herinneringen aan de periode toen het internet nog maar de
kinderschoenen aan het ontgroeien was. In het allerprilste stadium was het vooral een middel waarbij onder meer films en muziek gedeeld en uitgewisseld konden worden: “Ik was vijftien en eindelijk aangesloten op de wereld (..) ook mijn interesse in film schakelde dat jaar een versnelling hoger, met dank aan de eindeloze filmbibliotheek waarover ik via schimmige websites beschikte.”.


De complexe relatie tussen kijken en denken


Deze drie hoofdlijnen worden telkens verbonden met verschillende voorbeelden uit film, literatuur
en filosofie, waardoor dit boek meteen ook een reflectie wordt op hoe kijken ons denken vormt. Inspiratie daarvoor vindt hij bijvoorbeeld in de in traagheid gedrenkte films van Sofia Coppola, Richard Linklater en de mogelijkerwijs zelfs in cinefiele kringen net wat onbekendere Kogonada. In hun werk vindt De Breuker allerlei antwoorden op al langer in hem sluimerende vragen en kwesties rondom verveling, aandacht, technologie en creativiteit.


Het kijken naar de soms sterk vertragende films brengt De Breuker tot de gedachte dat de therapeutische kracht van cinema vooral zit in de manier waarop verveling soms op grootse wijze kan transformeren tot verbeelding:

“je volledig overgeven aan een scherm waarop een weinig opwindende film speelt: als ik dat kon – daar was ik van overtuigd – was nog niet alles verloren. Film na film dompelde ik me onder in verschillende vormen van verveling, in de hoop dat ik die bijzondere sensatie dan beter de baas zou kunnen in het echte leven.
Ze zonder morren zou aanvaarden. Ik geloofde dat ik op die manier mijn eigen aandacht zou heroveren, de regie over mijn vrije tijd weer in handen zou nemen. Eerst sputterde mijn rusteloze brein tegen, maar dan voelde ik het: verveling is de ontspanning die ik nodig heb.”


Een veldgids voor digitale overprikkeling


Wat initieel dankzij de uiterst persoonlijke en openhartige insteek mogelijkerwijs leest als een zelfhulpgids, groeit, deels ook door de ruime literaire en filosofische onderbouwing, gaandeweg uit tot een best interessant boek. De Breuker profileert zich daarbij als ervaren filmtheoreticus en gids. Hij helpt de lezer mee op weg om het werk van gereputeerde filmmakers zoals Jacques Tati (iedereen heeft wel een dagelijkse portie ‘hulotisme‘ nodig), Spike Jonze of Kelly Reichardt verder te ontdekken.


Daarbij mag meteen ook het argument vervallen dat het enkel en alléén ‘high brow’ filmmakers zijn die in zijn boek aan bod komen, want bijvoorbeeld ook de doldwaze grapjassen van Jackass krijgen een plek in zijn boek (‘Jackass in wonderland’). Het markeert de brede blik van De Breuker die ook aangeeft dat ‘de vroege jaren 2000 heerlijk waren voor een jonge internetpiraat‘.


Film als therapie: een pleidooi voor aandacht


‘Liever lui dan moe’ is een persoonlijk, gepassioneerd en toegankelijk essay dat uitnodigt tot traag kijken en aandachtig leven. Dat De Breuker met liefde voor film en cultuur schrijft, werkt best aanstekelijk, zeker als er op het einde nog heel wat cinefiele en literaire pareltjes gebundeld worden die de lezer/kijker/denker verder op weg helpen.


Tegelijk blijft dit boek soms wat sterk afhankelijk van persoonlijke observaties, deels is het een
analyse van de Breukers’ eigen kijkgeschiedenis en cinefiele voorkeuren, waardoor de cultuurkritische scherpte en ambities niet altijd bereikt worden. Daarnaast is het uitgesproken pleidooi voor aandacht, breder en trager kijken van de auteur allerminst nieuw, al blijft het in de vloeibare digitale tijden waarin aandacht en de regie over de eigen tijdsbeheersing de voornaamste valuta zijn, helaas wel blijvend relevant.

Wat goed werkt is de manier waarop De Breuker eigen ervaringen met film en cinema in bredere zin contextualiseert, door daarbij ook regelmatig te verwijzen naar hedendaagse literatuur. Het principiële argument – cinema is in zekere zin een therapeutische kracht, geraakt zo goed en degelijk onderbouwd. Tezelfdertijd ervaar je dat de vermenging tussen de analyse van eigen kijkervaringen en cultuurkritiek soms net wat te impressionisch aandoet. En zo net wat tekortschiet om echt vollédig overtuigend te zijn.


Overigens is het een prettige vaststelling dat de nog jonge Flaneur uitgeverij een heel eigen,
onafhankelijke koers vaart. Dat kunnen we dus niet anders dan toejuichen. ‘Liever lui dan moe’ is alvast een prima aanzet om verder film, cinema en literatuur te ontdekken.

Related Images:

Philippe De Cleen

Philippe De Cleen houdt van mooie boeken en van mooie muziekjes. Is ongetemd als het op cultuur aankomt. Leest vrijwel continu, zelfs op de bus, tram of trein onderweg.