Van ergernis en bedreigdheid naar berusting en nostalgie

Van ergernis en bedreigdheid naar berusting en nostalgie

J.J. Voskuil, ‘Het zwijgen’ 3 out of 5 stars

Een roman is het resultaat van stijl, compositie, verbeelding en al dan niet een stevige plot. Een dagboek is van een heel andere orde. Hierin noteert een schrijver wat hem dagelijks overkomt, en in het beste geval krijg je zo de man of vrouw achter de auteur te zien. Het risico op herhaling en het gevaar dat de lezer snel verveeld raakt, zijn dan ook reëel. Dat laatste is met Het zwijgen van J.J. Voskuil (1926-2008) niet het geval. Hier is een kwetsbare man aan het woord; iemand die door het schrijven overeind probeert te blijven.

De zevendelige romancyclus ‘Het Bureau’, waarvan het eerste deel in 1996 verscheen, was in tegenstelling tot in Vlaanderen in Nederland zonder meer een gigantisch commercieel succes. In deze reeks beschrijft Voskuil het kantoorleven met al zijn vergaderingen, banale ruzies en het onvermijdelijke koffiedrinken. Er lijkt in de romans dan ook weinig te gebeuren, behalve dat Maarten Koning zich constant ergert aan alles en iedereen: collega’s, eindeloze gesprekken met zijn directeur, en zelfs zijn vrouw moet het geregeld ontgelden.

Het is op het eerste gezicht niet bepaald opwindende literatuur. Net zo vergaat het J.J. Voskuil in zijn dagboeken. Bijna geen dag gaat voorbij zonder sakkeren, zich niet lekker in zijn vel voelen, of met L. – zijn wederhelft Lousje – overhoopliggen. Huiselijke ruzies zijn een constante in hun leven; ze slingeren elkaar de gemeenste verwijten naar het hoofd. Het is alsof de lezer in de zoveelste scène van ‘Who’s Afraid of Virginia Woolf?’ terecht is gekomen, een filmklassieker met het legendarische koppel Elizabeth Taylor en Richard Burton in de hoofdrol.

Rust en ruimte om te schrijven

Bladzijden lang beschrijft hij tot in de kleinste details zijn dagelijkse leven als gepensioneerde: hij fietst, wandelt, eet, ontvangt vrienden en gaat op bezoek bij kennissen. Soms typt hij tot vervelens toe oude dagboeken over, of zet hij simpelweg de vuilniszakken buiten. En niet te vergeten: hij vult nieuwe schriftjes met de gesprekken tussen L. en hemzelf, die doorgaans ontaarden in kletterende ruzies. Het pensioen is voor J.J. Voskuil bepaald geen vrolijke tijd. L. wil – nee, eist – dat er voortdurend tegen haar gepraat wordt, terwijl hij daar helemaal geen behoefte aan heeft. Hij verlangt naar rust en ruimte om in zijn dagboek te schrijven. Zelfs in bed valt er voor het koppel nog maar weinig vreugde te beleven.

‘Ik voel zo weinig intimiteit. Er is zo weinig liefde. Je praat helemaal niet meer. Je zit daar maar en je schrijft in je dagboek. Alsof ik niet besta. Ik zou er net zo goed niet kunnen zijn.’

Met zo’n Xantippe op je dak drijf je je wederhelft in de armen van een vrouw bij wie het aangenaam vertoeven is. Omdat hij zich niet laat commanderen, is hij verliefd geworden op X, een vrouw die net als L. – en ook Suze, van wie hij gehouden heeft – door hem als kuis wordt omschreven: ‘Ik zou me met de vrouwen die me zoveel vluchtige erotische gevoelens bezorgen geen raad weten.’ Het is dan ook gissen waarom hij uiteindelijk met L. getrouwd is. Tijdens een treinrit naar Santpoort-Noord om in de duinen en Kruidberg te wandelen, denkt L. na over hun relatie. Ze zegt geïrriteerd te zijn en stelt de zaken op scherp:

‘Jij had met Suze of met X moeten trouwen. Dan was je gelukkig geweest. Jij moet een vrouw hebben die aan je voeten ligt. Niet een vrouw zoals ik, die altijd in het verzet is.’

Het vermoeden is groot dat Mirjam Lucassen – niet toevallig een van de bezorgers van de talloze annotaties – achter X schuilgaat. Wie is er anders achter gekomen dat J.J. Voskuil zijn amoureuze aantekeningen over X buiten het bereik van zijn vrouw wist te houden, en later zelfs veertien van deze geschriften vernietigde?

Een heel dom en onaangenaam schreeuwertje

Naast al deze tribulaties zijn vooral de fragmenten waarin hij anderen aan het woord laat verrassend en onthullend. Zo vertelt Hanny Michaelis dat Gerard Reve haar ontmaagde en na afloop opmerkte: ‘Wie wat bewaart, die heeft wat.’ Bovendien had ze een enorme hekel aan Simon Carmiggelt, omdat hij haar niet binnenliet toen ze hem een manuscript van Reve kwam overhandigen: ‘Zo’n smeerlap! En denk maar niet dat hij een goed huwelijk had. Daar deugde geen pest van!’

Overigens heeft Voskuil weinig woorden van lof in petto voor Leon de Winter, die meeschreef aan het scenario voor de verfilming van ‘Bij nader inzien’. Hij is er niet over te spreken dat De Winter de psychologie van de hoofdpersoon heeft verkracht. De scenarist maakt dan ook amper indruk op Voskuil, die hem afvoert als: ‘een keihard, heel dom, onaangenaam schreeuwertje, dat geen enkele affiniteit met het boek heeft en het recht op zijn eigen interpretatie opeiste.’

‘Het zwijgen’ eindigt met het slenteren door de straten van Amsterdam. De blik is op de klinkers gericht om vallen te voorkomen, om in het beste geval door een toevallige passant te worden begroet, of te kijken naar Charlotte Mutsaers die voor de deur van een chocolaterie in gesprek is met een vrouw. Voskuil besluit dan dat zij tien keer zoveel mensen kent als hij en L., die er al 37 jaar wonen.

J.J. Voskuil biedt de lezer in zijn dagboek een inkijkje in zijn leven, dat afwisselend saai en turbulent is. Het is een met verve geschreven sluitstuk van een schrijver die het met romans als ‘Bij nader inzien’, ‘Requiem voor een vriend’ of ‘De buurman’ verdient om nog altijd gelezen of herlezen te worden.

Related Images:

Carlos Alleene