Wat valt er uit de archiefkast van Raoul Van Londersele?
Roel Richelieu Van Londersele: ‘De geheimen van de literatuur’ 
Raoul Van Londersele (1952) is veel tegelijk: dichter, docent, romancier, redacteur, thrillerauteur en last but not least: Roel Richelieu Van Londersele. Een man die in ‘De geheimen van de literatuur’ terugblikt op zijn talloze ontmoetingen in het Vlaamse literair circuit, én op de koop toe dichters of romanciers in spe praktische tips cadeau doet.
Roel Richelieu Van Londersele – geef toe het staat chic – in plaats van Raoul Van Londersele onder een gedicht. Een ijdele kwast, wie weet? Vast iemand die zich zonder gêne poëtisch adoniseert. Nu ja, wie is die man met een sliert bundels op zijn naam in het echte leven? Een vroegere leraar Nederlands, de eerste Gentse stadsdichter, en ex-uitgever van het literaire tijdschrift ‘Koebel’.
Een nobele ridder met een doel: dichters in spe begeleiden op weg naar het ultieme gedicht. Bovendien biedt hij hen, in afwachting van hun officieel debuut, de kans hun poëtische schrijfsels in de etalage van zijn onlinetijdschrift ‘Het Gezeefde Gedicht’ te etaleren. Van Londersele is duidelijk een man met een missie in dit tranendal. Over zijn roemrijk verleden als dichter en letterkundige getuigt hij in ‘De geheimen van de literatuur’, zijn onvervalste literaire memoires.
Herwig Leus vindt zichzelf een fenomeen
Hij heeft ze opgedragen aan Herwig Leus. Een al lang vergeten flamboyante verschijning die hem, naar verluidt met flair en beekjes champagne, in de wereld van schrijvers en schilders heeft geintroduceerd. Je zou voor minder. Leus? Leus een ritselaar par excellence – een zogenaamde Boon-kenner – die amper een lenige zin uit zijn pen kreeg. Jeroen Brouwers portretteerde hem ooit als iemand die zichzelf zo graag verheerlijkt. Meer nog: zich een fenomeen vindt. ‘Kortom dixit Leus, ik ben een kenner want Boon zei het zelf,’ aldus Brouwers. Met die man gaat Van Londersele bij Louis-Paul Boon in Erembodegem op visite. Voor Leus is de schrijver van ‘De Kapellekensbaan’ een pot honing. Boon, die iedereen die hij tegenkomt zou trakteren, laat zijn kassa geregeld rinkelen.
Ooit zette hij een lucratief handeltje op in Boontjes die hij eerder voor een habbekrats had gekocht. Een Boonmap is zijn nieuwste project waarbij Van Londersele wordt betrokken. Hij mag een ets van de auteur maken. Een ets die, samen met een gedicht van Boon, te koop zal worden aangeboden. Helaas Boon is na afloop allerminst tevreden over het resultaat. Hij vindt dat hij te oud is afgebeeld. Van Londersele is ontgoocheld, maar Leus zegt hem dat Boon altijd op die manier reageert.
Overigens valt er weinig relevante informatie te rapen over zijn enkele ontmoetingen met Louis-Paul Boon. Tenzij dat hij graag Miller, Kafka en Céline leest. Jan Greshoff het niet op hem begrepen heeft, hij dankzij Elsschot de Leo J.Krynprijs won, et cetera. Maar wisten we dat al niet al langer? Ook elders in ‘De geheimen van de literatuur’ daagt Leus geregeld op. Een imposante verschijning die zich graag als uitgever voordoet en overal met luide stem het hoge woord voert.
Nagenoeg elke gelegenheid grijpt hij aan om met champagne te trakteren, al was het maar om anderen te imponeren. Dus kijkt Van Londersele naar hem op, want Leus zal hem in de wereld van de literatuur de weg tonen, stelt hem aan Paul Snoek als een uiterst beloftevol dichter voor, en overstelpt hem met ditjes en datjes uit het Vlaamse literaire roddelcircuit.
Een dichter bedriegt de lezer een beetje
De beste passages zijn die waarin hij niet opduikt. Een ontmoeting op een poëziemanifestatie met Herman de Coninck die, net voor een optreden, aan de tapkast eenzaam zit te wezen. Een gedroomd moment om bij de hoofdredacteur van het Nieuw Wereldtijdschrift naar tips voor het schrijven van goede poëzie te hengelen. Je schudt die volgens de Coninck niet zomaar uit je mouw.
‘Ik bedoel dat ik op een week een hermetische bundel kan schrijven. Ze zien de fouten dan toch niet staan, maar een heldere bundel, ola, dat wordt zwoegen en schaven, want je kan je niet wegsteken.’ (…) ‘En ik vind heel weinig uit, ik baseer me in 90% van de gedichten op wat ik meemaak of op waar ik ben en nadien bedrieg ik de lezer een beetje en wordt het poëzie. En zonder die adjectieven blijven mijn gevoelens naakt.’
Herinneringen aan de vroegere Antwerpse boekenbeurs, ze zijn overvloedig aanwezig. Een bluffende Jef Geeraerts op de terugweg naar Gent: ‘Ik ben altijd een jager geweest, hé, ook op vrouwen, vele vrouwen. Zwarte vrouwen zijn anders. Once black and you never go back, zeggen ze. Ik vond dat ook… tot ik Eleonore leerde kennen.’ Jeroen Brouwers die sakkert dat op de boekenbeurs amper iemand bij hem aanschuift om een boek te laten signeren. Alle aandacht gaat er naar Evy Gruyaert uit, en Brouwers zegt: ‘Zie ons hier zitten,’ zegt hij, ‘de werkloze schrijvers. Het is een beeld waarop de luizen van de literatuur zich zouden verkneukelen.’ (…) ‘Ja, je moet toch goed ziek zijn om in dit circus te blijven ronddraaien.’
Waarom niet over generatiegenoten schrijven?
Of Luc De Vos die zich geen echte schrijver vindt en ontgoocheld is dat zijn boeken amper verkopen. Leuke anekdotes die de wisselvallige toonzetting van het hele boek bepalen, maar zelden het niveau halen van ‘Zelfs in Roemenië zijn de vrouwen prachtig en de schrijvers grimmig’. Een reisverslag van een literaire tournee in gezelschap van enkele dichters, met de focus op wijlen Menno Wigman. Volgens Van Londersele een dichter met kapsones omdat hij, tegen de afspraken in, in het hotel een éénpersoonskamer voor zich opeist.
‘Achteraf blijkt dat Menno Wigman de hele week abso- luut geen kapsones toont, de stilste dichter is, maar wel een man is met een plan. Hij wou een éénpersoonskamer om de handen vrij te hebben en dames te kunnen uitnodigen in zijn bed. Daar slaagt hij trouwens vlot in. Hij pikt de vriendin in van een andere dichter en als hij haar nadien links laat liggen, zet zij ’s nachts het hotel op stelten.’
Passeren verder verder de revue: Hugo Claus, Herman Brusselmans, H.J. Claeys, Paul Snoek en Guido Lauwaert. Over generatiegenoten Eriek Verpale, Miriam Van hee, Daniël Billiet en Luuk Gruwez geen woord. Behoren de wilde jaren dan definitief tot het verleden? Zaten Verpale, Gruwez, Billiet en Van hee in de stilte van hun werkkamer achter gesloten gordijnen bij kaarslicht te schrijven? En oja, wie ambieert poëzie of proza te schrijven kan terecht in deel twee van ‘De geheimen van de literatuur’. Daar bevindt zich een grote vergaarbak met tips en praktische adviezen waarin iedereen naar hartenlust kan graaien. Twee delen in een boek voor de prijs van één. De lezer kan de weledele heer Roel Richelieu Van Londersele niet genoeg dankbaar zijn.

