‘Het geschenk’ als laboratorium voor maatschappelijke reflectie
Gaea Schoetes, ‘Het geschenk’ 
Een andere roman dan ‘Trofee’
Wat Gaea Schoeters doet in ‘Het geschenk’ is intelligent en zorgvuldig geconstrueerd. Maar, doordat ‘Het geschenk‘ zo kort na de zesde druk van ‘Trofee‘ verscheen, voelt de roman aanvankelijk aan als een echo van haar eerdere werk. Beide romans vertrekken immers vanuit dezelfde spanning tussen Afrika en Europa en stellen ongemakkelijke vragen over verantwoordelijkheid. Zo kaarten beide romans machtsverhoudingen tussen Noord en Zuid aan en drijven ze de spot met menselijke hypocrisie.
Daardoor leest ‘Het geschenk‘ in eerste instantie als een nagedachte bij de thematiek die in ‘Trofee’ al overtuigend werd uitgewerkt.
Dat blijkt echter een misleidende eerste indruk. Waar ‘Trofee’ de individuele jager confronteerde met de ethische ambiguïteit van natuurbescherming, richt ‘Het geschenk’ zijn pijlen op de politieke besluitvorming zelf. Het resultaat is een politieke satire waarin de absurditeit van internationale machtsverhoudingen wordt uitvergroot.
De interne logica van maatschappijkritiek
Het recept voor de roman lijkt eenvoudig. De werkelijkheid blijft grotendeels herkenbaar; slechts één gegeven verandert. Uit frustratie over de nieuwe Ivoorwet schenkt de president van Botswana Duitsland twintigduizend olifanten.
Dat ene fictieve uitgangspunt zet een kettingreactie in gang waarin politieke belangen, mediapaniek, opportunisme en bestuurlijk onvermogen elkaar razendsnel versterken. Schoeters toont hiermee hoe een kleine verschuiving voldoende is om de logica van bestaande maatschappelijke systemen zichtbaar te maken. Dat is een knappe gave.
Wisselende focalisatie verhindert immersie
Kenmerkend aan Schoeters romans is de wisselende focalisatie. De roman opent vanuit het standpunt van een olifant, verschuift vervolgens naar een dakloze man en komt uiteindelijk terecht bij bondskanselier Hans Christian Winkler, een opportunistische politicus die de olifantencrisis vooral ziet als een kans om zijn eigen positie te versterken.
Door die wisselende focalisatie wordt dezelfde gebeurtenis telkens vanuit een andere logica zichtbaar. De crisis behoort niemand toe ; iedereen probeert haar voor eigen doeleinden te gebruiken.
Tegelijk vormt precies die vertelstrategie ook een hindernis voor de lezer. De verschillende perspectieven maken de maatschappelijke complexiteit zichtbaar, maar creëren ook afstand tot de lezer, waardoor immersie uitblijft.
Dit kan leiden tot een beperkte emotionele betrokkenheid. De constructie van het gedachte-experiment blijft voortdurend zichtbaar. De lezer wordt zo uitgenodigd om te reflecteren, maar kan zich net niet lang genoeg inleven om ook intern de spanning te ervaren. In die zin heeft ‘Het geschenk’ een heel ander effect dan ‘Trofee’ waar net die immersie ervoor zorgde dat de lezer zijn eigen gedachtepatronen in vraag ging stellen.
Humor als politiek wapen
De satire krijgt extra kracht doordat Schoeters de toon licht houdt. Terwijl de politieke situatie steeds verder ontspoort, blijven veel scènes verrassend geestig. Zo meldt het nieuws droogjes:
‘Een kwartier geleden zijn twee jonge olifantenstieren deze supermarkt in gelopen en hebben zich op de afdeling groenten en fruit gestort. Daarbij is paniek ontstaan; voorbijgangers profiteren van de chaos en het plunderen. Het is wachten op de ordediensten…’
De absurditeit van het beeld maakt de onderliggende kritiek alleen maar scherper.
Onder die humor schuilt echter een ernstige politieke analyse. Tijdens een telefoongesprek herinnert de president van Botswana Europa eraan dat het Westen Afrikaanse landen jarenlang heeft aangespoord bedreigde diersoorten te beschermen. Nu dat beleid succesvol blijkt en de olifantenpopulatie explosief groeit, laat Europa Botswana opnieuw alleen met de gevolgen. Zonder moraliserend te worden legt Schoeters zo de asymmetrische machtsverhouding bloot waarin Europa de regels bepaalt, terwijl de praktische gevolgen elders worden gedragen.
Genderongelijkheid als thema
Ook op een andere schaal laat de roman zien hoe macht functioneert. Opmerkelijk is bijvoorbeeld de observatie dat vrouwen vaak pas leidinggevende functies aangeboden krijgen wanneer organisaties zich al in een crisis bevinden:
‘Mannen krijgen doorgaans leidinggevende posities aangeboden in stabiele organisaties of situaties, vrouwen worden alleen gevraagd voor dergelijke topjobs op crisismomenten. Als het risico op falen groot is.’
Die passage sluit aan bij de bredere bestuurskritiek van de roman, waarin politieke verantwoordelijkheid zelden samenvalt met politieke macht.
Fictie als laboratorium
Door in te zetten op maatschappelijke vraagstukken waar we in de realiteit mee te kampen hebben, stelt Schoeters grote eisen aan fictie. Fictie dient als gedachte-experiment. In een interview met de KU Leuven noemt ze het een “safe space voor maatschappelijke reflectie”. Die observatie is boeiend omdat Schoeters op die manier een literaire methodiek laat zien. Fictie krijgt een epistemologische functie, het kan worden opgevat als een kennissysteem, als een manier van denken waarmee binnen een experimentele literaire ruimte nagedacht kan worden over maatschappelijke vraagstukken. Fictie wordt zo niet alleen verbeelding, maar ook een manier om kennis te ontwikkelen: een ruimte waarin de lezer maatschappelijke structuren leert herkennen en bevragen. Deze methodiek dient uiteindelijk ook een democratische functie. Door de lezer deelgenoot te maken van de maatschappelijke ruimte, activeert ze burgerschap.
In het academiejaar van 2026-2027 is Gaea Schoeters de nieuwe writer-in-residence voor de KU Leuven. We kijken heel erg uit naar de dialogen die daaruit zullen voortvloeien.

