De elektrische bas als universum
Björn Meyer – Convergence 
De in Zweden geboren maar in Zwitserland gewortelde Björn Meyer is al jaren een stille, maar onmiskenbare kracht binnen het ECM-universum van Manfred Eicher. Dat hij ooit in garagebands speelde, voelt vandaag bijna als een voetnoot uit een ander leven. Zodra hij de elektrische bas ontdekte, werd het instrument zijn kompas, zijn klanklaboratorium, zijn manier om de wereld te ordenen. Sindsdien beweegt hij zich door uiteenlopende muzikale landschappen, van de fijnzinnige lyriek van Anouar Brahem tot de rituele precisie van Nik Bärtsch.
Naast die vele samenwerkingen bouwt Meyer aan een solotraject dat even ingetogen als eigenzinnig
is. In 2017 verscheen ‘Provenance’, een album dat de solo elektrische bas in een nieuw licht zette.
Met het nieuwe ‘Convergence’ keert hij terug naar dat innerlijke atelier, waar klank, textuur en ruimte niet louter middelen zijn, maar personages die mee het verhaal vormgeven.
Rijk en atmosferisch
‘Convergence’ ontvouwt zich als een reeks kamers waarin het licht telkens anders valt. De opname in de Bavaria Musikstudios in München — een plek waar vaak soundtracks ontstaan — geeft de muziek een filmische glans, alsof elke noot een scène verlicht. Aan de basis liggen talloze improvisaties, schetsen en momenten die Meyer tussen andere projecten door vastlegde. Je hoort het: de muziek ademt, zoekt, tast af.
Waar ‘Provenance’ misschien nog een voorzichtig eerste gebaar was, voelt ‘Convergence’ als een verdieping. De akoestische ruimte is hier geen achtergrond, maar een medespeler die fluistert, weerkaatst, soms zelfs te nadrukkelijk aanwezig is. In de spannende track Magnétique laat Meyer de bas vrijuit spreken, alsof hij een stroom volgt die groter is dan zichzelf.
Focus op ruimtelijkheid
Meyer klinkt als een muzikant die onderweg gegroeid is — niet door virtuositeit na te jagen, maar door aandachtiger te luisteren. De studio wordt zo een klankkast waarin hij zijn taal aanscherpt. Soms lijkt die perfectie bijna té zorgvuldig, alsof de muziek zo gepolijst is dat er weinig rafelrand overblijft. Maar net in die spanning — tussen beheersing en loslaten — ontstaat de eigenheid van dit album.
De titeltrack opent als een mechanisme waarin motiefjes in elkaar klikken. Daarna trekt Meyer zich steeds verder terug in eenvoud. Hiver en Drift wisselen aardedonkere resonanties af met glasheldere patronen, alsof hij licht en schaduw met dezelfde penseelstreek schildert. Gravity beweegt zachtjes, bijna aarzelend, terwijl Motion een glimp toont van een vrijheid die nooit helemaal wordt prijsgegeven. En dan is er On Hope, een teder miniatuur dat prachtig contrasteert met het wat meer donkere Rewired, dat met zijn nerveuze energie zo op een Dans Dans-plaat had kunnen staan.
Intieme impressies
‘Convergence’ is bovenal een intiem album, een reeks impressionistische schetsen die langzaam een
groter geheel onthullen. De narratieve boog begint bij in elkaar vallende motiefjes en eindigt in
verstilde klanklandschappen die bijna aan een solo-orkest doen denken — klein in gebaar, groot in
resonantie. Toch blijft het gevoel hangen dat ‘Convergence’ vooral een verfijning is van wat Meyer met
‘Provenance’ al opende. Het verrassingseffect van dat debuut — de zessnarige, elektrische bas als solowereld — is hier minder uitgesproken. Voor sommige luisteraars kan de hyperfocus op klank en ruimte zelfs wat afstand scheppen, alsof de muziek soms meer observeert dan omarmt.
Maar binnen die negen tracks bouwt Meyer opnieuw een universum dat alleen van hem is: helder, bedachtzaam, soms bijna meditatief. Het is een wereld waarin elke noot zorgvuldig geplaatst is, maar waarin je stiekem hoopt dat hij af en toe een steen door zijn eigen glasheldere oppervlak zou
gooien.
