Deining: de kortverhalen van Cynan Jones op het scherp van de snede
Cynan Jones, ‘Deining’ 
De jonge, lichtjes briljante Welshe auteur Cynan Jones (°1975) is niet echt een bijzonder productieve dan wel een erg consequente schrijver. Eerder publiceerde hij enkele kortere romans zoals ‘Alles wat ik vond op het strand’ (2023), ‘3 sprookjes’ (2019) of ‘De lange droogte’ (2023). Zijn werk past in een bredere context van klimaatfictie en sluit ergens ook aan bij werk van Britse naturalistische schrijvers zoals Jon McGregor, Tim Winton, Evie Wyld of Nan Shepherd. Jones openbaart zich steeds meer als een meester in de nobele kunst van het kortverhaal. Met het nieuwe ‘Deining’, net zoals eerder werk grotendeels in de ruwe, Welshe natuur gesitueerd, bewijst hij dat met verve.
Grilligheid van mens en natuur
Met de publicatie van deze nieuwe bundel kortverhalen lijkt Jones er ergens aan te herinneren dat onze wereld vooral heel erg brutaal is. En de mensheid louter op overlevingsinstinct aangewezen. De grillige natuur blijft uiterst onvoorspelbaar en kan bijzonder wreed zijn. In de kern van Jones’ verhalen lijkt het voor de taaie, vaak teruggetrokken personages (bijna zonder uitzondering van nature uit zwijgzame mannen) op een of andere manier altijd wel ergens verkeerd te lopen. In die zin gaat het ook en vooral over de niet altijd productieve of succesvolle wisselwerking en interactie tussen mens en natuur.
Vormelijk experiment
Al van bij het eerste verhaal ‘Slechtvalken’ valt het sterk experimentele karakter van deze bundel op. Het gaat onder meer over twee mannen aan een ruwe zee en een plots opduikende herinnering aan een jeugdtrauma. Jones tekent het in uiterst korte, fragmentarische stukjes op, daarbij bijzonder veel ruimte latend voor (dubbele) witregels. Net als de sterretjes die her en der opduiken lijken ze vooral de bedoeling te hebben om Jones de kans te geven om volop te gaan experimenteren met zowel vorm (dubbele witregels, sterretjes, typografie, herhalingen..) als met inhoud. Die vormelijke keuzes accentueren de psychologische instabiliteit van de personages. Net zoals dat eerder al het geval was weet Jones hiermee maximale intensiteit op te roepen:
‘De zenuwen leken zich te verspreiden door de magere man, en hij beefde lichtjes. Opnieuw hield hij zich voor dat het door de kou kwam. Dat die jongen daar zat. Het heeft niets te betekenen. Net zoals die ene meeuw zomaar omtuimelde. Het komt door de kilte. Het is gewoon de kilte die je parten speelt.’
Zodoende krijg je als lezer heel sobere verhalen waarin de grillige, onvoorspelbare natuur haar eigen gangen gaat. En waarbij het dus altijd wel ergens verkeerd kan lopen. Zo loopt een bevalling niet echt van een leien dak (het op verzoek van John Freeman geschreven ‘Koe’), is er een berentocht waarbij de hoofdfiguur het onderspit dreigt te moeten delven of is er, zoals in het laatste kortverhaal ‘Deining’, een haperende elektriciteitspaal die voor heel wat problemen zorgt. ‘Deining’ als bundel sluit goed aan bij eerder werk van Jones waarin de natuur meer dan sterk aanwezig is. Evenwel is er in vergelijking met bijvoorbeeld ‘The dig’ (2014) minder geweld aanwezig.
Tegelijkertijd weet hij de klassieke lineaire spanningsboog en vertelstijl meer dan ooit op te delen en uiterst gebald te concentreren. De verhalen van Jones zijn soms extreem kort en vallen op door vormelijk experiment, waardoor je in zekere zin zou kunnen zeggen dat ‘Deining’ een soort verfijning dan wel intensifiëring is van het voor de BBC geschreven ‘Stillicide‘.
De betekenis van wit
Wellicht zijn het de kortste verhalen in de bundel, zoals onder meer het slechts acht pagina’s tellende ‘Witte vierkantjes’, die bij de lezer de sterkste indruk nalaten. Waarbij onder meer opvalt dat hij veel aandacht heeft voor de beschrijving van allerlei geluiden (‘Toenk. De klimmer trapte zijn spikes in de stam. Stap omhoog. (..) Toenk. Stapte’) en verschillende monologues intérieurs. Op die manier slaagt Jones erin om angst, (psychologische) dreiging en vooral tergend langzaam opbouwende spanning op een intrigerende, en vooral ook intense manier te verwoorden. Wat Jones van vele andere schrijvers onderscheidt, is onder meer zijn extreme beknoptheid: hij werkt met een proza dat bijna functioneert als poëzie, waarbij witruimte, fragmentatie en ritme minstens even betekenisvol zijn als de woorden zélf.
Anders gesteld: het experiment met vorm (witregels, sterretjes, herhalingen,.. ) versterkt net de literaire inhoud – met een zekere focus op psychologisch spel, waarbij ook de emotionele impact sterk vergroot. In het gekozen fragment merk je bijvoorbeeld hoe net de herhaling voor een soort poëtisch-muzikaal ritme zorgt, wat ook een van de sterkste troeven van deze bundel kortverhalen blijkt te zijn.

Natuur en menselijke kwetsbaarheid liggen in elkaars weg
Het door Manon Smits vertaalde ‘Deining’, uitgegeven via Koppernik, blijkt een compacte, maar krachtige bundel. In de kortverhalen van Cynan Jones liggen natuur en menselijke kwetsbaarheid meermaals in elkaars weg, maar finaal blijft er nog altijd een beetje hoop over. Tezelfdertijd zou je ook ergens kunnen stellen dat het fragmentarische, sterk zintuiglijke schrijven van Jones door sommigen als een soort maniërisme ervaren zou kunnen worden. Net zoals de extreme beknoptheid bij lezers mogelijk ook tot emotionele afstand zou kunnen leiden. Dat maakt dat deze bundel vooral werkt voor liefhebbers die genieten van zowel vormelijk als inhoudelijk literaire experiment.

