Auteur met een houten hart
Mary MacLane, ‘Ik wacht op de komst van de Duivel’ 
De hier nauwelijks bekende Canadees-Amerikaanse schrijfster Mary MacLane (1881-1929) was amper negentien toen ze haar ophefmakende dagboek ‘Ik wacht op de komst van de Duivel’ publiceerde — een virtuoos geschreven zelfportret van een auteur die grote woorden niet schuwt, naar het Nederlands vertaald door Auke Leistra.
Om Mary MacLane kort te introduceren: ze werd in januari 1881 geboren in Winnipeg (Canada). Op haar vierde verhuisde ze met haar familie naar een stadje ten westen van Minnesota, waar ze tot haar tiende een eenzaam leven leidde. Daarna verkaste het gezin naar Montana (Verenigde Staten). Ze was amper acht toen haar vader overleed, waarna ze samen met haar twee broers en zus door haar moeder werd opgevoed. Haar gezinsleden betekenden, hoe vreemd het ook klinkt, niets voor haar: ‘Ze zouden me niet beter kunnen begrijpen als ik een of andere wandelende curiositeit was geweest, zoals ze me trouwens vermoedelijk ook beschouwen.’
Na haar succesvolle debuut verhuisde ze van Butte naar New York. Daar raakte ze echter moeilijk aan opdrachten en bouwde ze als gokverslaafde zware schulden op. Er zat niets anders voor haar op dan terug te keren naar Butte om er aan een nieuw werk te schrijven. Na een film te hebben gedraaid in Chicago en enkele rollen in andere films te hebben gespeeld, trok ze zich terug in een hotel in die stad, waar ze in 1929 aan de gevolgen van tuberculose overleed.
Het dagboek als literair genre
Hoewel MacLane overtuigd was van haar unieke talent, verdween ze vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw in de anonimiteit. Dat is opmerkelijk voor wie weet dat haar ‘I Await the Devil’s Coming’ bij verschijning heel wat beroering veroorzaakte en haar de bijnaam ’the wild woman of Butte’ bezorgde.
Wie haar leest, ontkomt niet aan de indruk dat ze op virtuoze wijze reflecteert op wat het betekent ‘een meisje’ te zijn. Haar tijd ver vooruit slaagde ze erin om het ‘meisje-zijn’ neer te zetten als een zelfstandige entiteit, en dat tegen een feministische achtergrond. In haar voorwoord wijst Marieke Ornelis op de verwantschap tussen MacLane en ‘Waarom zou ik liegen?’ van de Russisch-Oekraïense Marie Bashkirtseff. Beiden maken gebruik van het dagboek als literair genre en aarzelen niet om ‘het zelf’ daarin centraal te stellen.
Over de opzet van het boek is ze duidelijk: ‘Ik wacht op de komst van de Duivel’ is geen dagboek, maar een portret waarin ze alles van zichzelf blootgeeft. Ze is een negentienjarige die bereid is alles op te offeren — van roem, geld en macht tot deugdzaamheid en genialiteit — voor een geluk dat enkel de duivel haar kan schenken. Ze schrijft erover in zinnen die passen bij een auteur die bewust het effect opzoekt; iemand die zichzelf een huichelaar en een dief noemt, maar evengoed een genie. Maar hoe groot haar talent ook is, ze verhult niet dat er altijd iets blijft wat niet in woorden te vangen valt.
Er is de leegte en de eenzaamheid in een onooglijk stadje als Butte — een smeltkroes van nationaliteiten — met mensen die slechts verbonden zijn door de dunne draad van een huwelijk waarin amper liefde woont. Haar enige sprankje hoop is Fannie Corbin: haar twaalf jaar oudere lesbische vriendin die ze een ‘anemoondame’ noemt, maar die niet meer in Butte woont. Dit levert ontroerende passages op die sterk afwijken van de algemene teneur van het boek.
‘Ik wil jouw hand in de mijne voelen, zoals ik dat soms voelde voordat je vertrok. Jij bent de enige in een wereld vol mensen die zich er tenminste iets van aantrekken – en ik hou van je met alle kracht en toewijding die ik voel voor alles wat mooi en waarachtig is.’
Je zult me wel moeten bewonderen
Er is haar voortdurende gevecht tegen de leegte en eenzaamheid, het dagelijks neerschrijven van wisselende gevoelens en de herhaalde vaststelling dat het haar ontbreekt aan het vermogen om de Waarheid over te brengen. Volgens haar leidt dit ertoe dat de rode draad door haar leven vals is. Daartegenover staat haar vurige wens om bewonderd te worden: ‘Het streelt mijn ijdelheid. Als je dit Portret leest, zul je mij bewonderen. Kan niet anders, je zult me wel moeten bewonderen.’ Dit alles kan enkel vloeien uit de pen van een auteur die is gaan houden van haar eigen portret — een publieke biecht — en die, in afwachting van de komst van de duivel, besluit met:
‘Zal mijn bittere, onbeduidende verhaal makkelijk en soepel het ene bezadigde oor ingaan, een uurtje blijven hangen, en het andere weer uit, om verder te worden vergeten? Zal de wijze, wijde wereld zelf me in mijn uitgestrekte hand een steen geven?’
Als geen ander zet Mary MacLane zich af tegen burgerlijkheid en hypocrisie. Als negentienjarige getuigt ze van een buitengewoon zelfinzicht. Dit, gecombineerd met een verhaal dat balanceert tussen pose en realiteit, maakt van ‘Ik wacht op de komst van de Duivel’ een authentiek boek van een auteur die zichzelf een houten hart toedicht, maar dol is op een Porterhouse-steak met verse jonge bosuitjes.

