Goede bedoelingen volstaan niet bij Arnold Zweig
Arnold Zweig, ‘De bijl van Wandsbek’ 
De levensloop van Arnold Zweig (1887-1968) leest als een samenvatting van de twintigste eeuw: geboren in Polen, soldaat voor Duitsland in WOI en auteur tijdens de Weimarrepubliek. Eenmaal de nazi’s aan de macht kwamen in 1933 werden zijn boeken verbrand, waarna Zweig de wijk nam naar Palestina. In Palestina bleef hij evenwel betrokken bij Duitsland, de vuistdikke roman ‘De bijl van Wandsbek’ is daarvan het bewijs. Het boek werd aanvankelijk in 1943 gepubliceerd in het Hebreeuws, in 1947 volgde de Duitse uitgave.
Varken of mens
‘De bijl van Wandsbek’ speelt zich af tussen 1937 en 1938 te Hamburg: vier jaar na de machtsovername van de NSDAP, twee jaar voor de invasie in Polen. De contouren van Hitlers politiek tekenen zich duidelijk af: een gevoel van lichte euforie heeft zich verspreid onder de bevolking, het idee van een op til zijnde oorlog wordt weggezet als paniekzaaierij. In Hamburg leeft Albert Teetjen, een slager die met zijn vrouw Stine een bescheiden leven leidt.
Als Footh – Alberts strijdmakker tijdens WO I – hem benadert voor een lucratieve bijverdienste, slaat hij aan het twijfelen. In de lokale gevangenis wachten vier veroordeelden op hun doodsvonnis, de dienstdoende beul is immers ziek. Dat zou – aldus Footh – toch niet veel moeite mogen kosten voor Albert? Varken of mens – de handeling met de bijl is toch dezelfde?
Schoorvoetend accepteert Albert de klus, want: de klandizie loopt terug en de huur dient betaald te worden. Bovendien wordt hem gegarandeerd dat zijn identiteit verborgen blijft. Na de klus ontvangt hij tweeduizend mark, waarmee twee fietsen worden aangeschaft. Albert houdt de rest van het geld verborgen, uit angst voor de argwaan van zijn medeburgers.
Een correcte aanname, want snel daarna wordt zijn identiteit onthuld door een nieuwsgierige dokter. Het roddelcircuit doet de rest. Albert en Stine zien hoe hun bestaan langzaam maar zeker naar de verdommenis gaat.
Klassieke roman
Opgezet als een klassieke roman, illustreert ‘De bijl van Wandsbek’ hoe mensen die midden in een historisch belangrijke periode leven zich onbewust zijn van de veranderingen die rond hen plaatsgrijpen. Wanneer Stine naar de bank trekt om de bankbiljetten op de rekening te storten levert dat volgende passage op.
[…] want zo’n vermogen in huis bewaren was de kat op het spek binden, alsof je de inbrekers uitnodigde. Het Derde Rijk had trouwens aardig afgerekend met het dievengilde, daar niet van. De statistieken met sterk dalende curves van het aantal inbraken en roofovervallen waren niet te loochenen. ‘Bij ons gaat alles op een legale manier,’ had de grappenmaker van het stel, redacteur Vierkant van Der Wirtschaftsdienst, eens gezegd, ‘zelfs de onrechtmatige verrijkingen.’
Het zorgt ervoor dat de lezer een rijk zicht krijgt op hoe het eraan toeging in het post-NSDAP Duitsland anno 1938. Daarbij bedient Zweig zich van uiterst doeltreffende ironie. Gevangenisdirecteur Koldewey ziet bijvoorbeeld dat er één en ander schort aan de bewijslast waarmee de vier veroordeelden ter dood werden veroordeeld, maar ziet er geen heil in ook maar iets te ondernemen. Liever dweept hij met Friedrich Nietzsche, een filosoof die hij te pas en te onpas aanwendt.
Tornen aan het onvermijdelijke, verraadt een plebejische instelling, had Nietzsche ergens gezegd, en daar hield Koldewey zich aan. Een mens moest leren een andere kant op te kijken. Oude geslachten herkende je aan de vele dingen die ze niet wensen op te merken.
‘De bijl van Wandsbek’ heeft niets aan relevantie verloren. Het is een boek dat reliëf geeft aan een historisch bewogen periode, maar het is vooral een werk dat aantoont hoe rechtlijnig mensen denken te handelen in een maatschappij die onderhevig is aan morele betonrot. Wie een paar jaar terug Tom Lanoye’s ‘De draaischijf’ las, zal in deze roman hetzelfde soort sluipend mentale gif herkennen. Zweig heeft jaren aan deze roman geknutseld. Het resultaat is navenant.

