Camus is weer populair bij jongeren
Albert Camus, ‘Brieven aan mijn leraar’ 
Nadat hij in 1957 de Nobelprijs voor de Literatuur had gewonnen, schreef Albert Camus een brief naar Louis Germain, zijn vroegere onderwijzer in Algiers. De in totaal twintig brieven zijn nu gebundeld in Brieven aan mijn leraar: een emotionele ode aan de bijzondere band tussen leraar en leerling. Bas Heijne schreef een inleiding waarin hij deze brieven – die door Tatjana Daan en Jan Pieter van der Sterre voor het eerst naar het Nederlands zijn vertaald – nader toelicht.
Lang na zijn dood is de Franse schrijver Albert Camus (1913-1960) nog niet vergeten. De auteur van klassiekers zoals L’Étranger (De vreemdeling), La Peste (De pest), La Chute (De val) en het onvoltooide Le premier homme (De eerste man), kwam in 1960 bij een tragisch ongeval om het leven. De Facel Vega, met achter het stuur Michel Gallimard (neef van zijn uitgever Gaston Gallimard), knalde in Villeblevin met hoge snelheid tegen een plataan; beiden waren onderweg naar Parijs. Camus was op slag dood, terwijl Michel Gallimard enkele dagen later in het ziekenhuis overleed.
Hij weigerde het existentialisme te aanvaarden
Het is op zijn minst opmerkelijk dat hij geregeld – al dan niet correct – geciteerd wordt, dat er naar hem verwezen wordt en dat hij in bepaalde kringen (vooral bij jongeren) weer populair is. Hij is online prominent aanwezig op TikTok en Instagram. De schrijver, die werd geboren in het vroegere Mondovi (het huidige Dréan in Algerije), werd destijds samen met Jean-Paul Sartre beschouwd als een van de leidende figuren van het existentialisme. Hij weigerde die term zelf echter te aanvaarden. Als gevolg van enkele meningsverschillen kwam het tot een breuk tussen beiden: Sartre verdedigde als marxist het gebruik van politiek geweld, terwijl Camus daar fel op tegen was.
Eigenlijk was hij een aanhanger van het absurdisme. Hierbij ging hij ervan uit dat het leven zonder betekenis is, maar dat we ons toch in leven houden en om die reden godsdienst als een kunstmatige betekenis gecreëerd hebben. Dit is vermoedelijk een van de redenen waarom zijn filosofie en levenskijk zo populair zijn bij Generatie Z.
Camus was een pied-noir, een in Algerije geboren Fransman tijdens de Franse koloniale overheersing. Zijn vader Lucien Camus, werkzaam in de wijnbouw, kwam in 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog om het leven bij de Eerste Slag bij de Marne. Albert was op dat moment nog geen jaar oud. Zijn moeder, Catherine Hélène Camus, verdiende de kost als schoonmaakster, was analfabeet en halfdoof.
Het jongetje Albert groeide op in Belcourt, een wijk in Algiers, tussen Spaanse immigranten, Europese kolonisten en Arabische families. Ondanks de lawaaierige straten in de buurt heerste er thuis vooral stilte. Dit verklaart volgens Bas Heijne in zijn inleiding zijn sobere, onopgesmukte proza. Heijne merkt vervolgens op dat Camus als jonge student op het lycée zich voor het eerst bewust werd van zijn eigen afkomst en een gevoel van sociale afstand ervoer.
‘Camus voelde zich meestal een buitenstaander in intellectuele kringen. Zelfs toen hij in Parijs leefde en werkte als journalist en schrijver, ontwikkelde hij een blijvende afkeer tegen de artistieke en filosofische coterieën van de hoofdstad, tegen het naargeestige geroddel, maar vooral tegen de modieuze intellectuele abstracties die de persoonlijke ervaring achteloos terzijde schoven.’
Het verweesde jongetje Albert
Het is in een dergelijke context dat de rol van zijn vroegere onderwijzer gezien moet worden: de man die hem aanmoedigde om verder te studeren, omdat zijn scherpe denk- en concentratievermogen hem waren opgevallen. Omdat Louis Germain zelf had meegevochten tijdens de Eerste Wereldoorlog, had hij te doen met het verweesde jongetje Albert. Zijn hele leven lang is de schrijver hem hiervoor dankbaar gebleven. Bij elk bezoek aan Algerije laat hij geen gelegenheid voorbijgaan om Louis Germain een bezoek te brengen. Bijzonder aangrijpend is dan ook zijn brief aan hem, gericht nadat hij in 1957 de Nobelprijs voor deLiteratuur had gewonnen.
‘Maar toen ik het nieuws vernam, dacht ik het eerst, na mijn moeder, aan u. Zonder u, zonder die liefdevolle hand die u reikte aan dat arme jongetje dat ik was, zonder uw onderwijs en uw voorbeeld zou niets van dit alles zijn gebeurd.’
Dit is een aangrijpend eerbetoon, waarop Louis Germain in november 1957 reageert door herinneringen op te halen aan de oorlog waarin kameraden van hem, net als de vader van de schrijver, om het leven waren gekomen.
‘Omdat ik aan je vader dacht, mijn beste jongen, heb ik me om je bekommerd, zoals ik me ook om de andere oorlogswezen heb bekommerd. Ik heb een beetje voor hem van je gehouden, zoveel als ik kon, en dat is mijn enige verdienste.’
Brieven aan mijn leraar is meer dan een loutere dankbetuiging. Deze briefwisseling, een waarachtig ‘document humain’, illustreert hoe bepalend ontmoetingen en personen voor een levensweg kunnen zijn—in dit geval die tussen een toevallige onderwijzer en een toekomstige Nobelprijswinnaar.

