Een rusteloze reiziger, op zoek naar zichzelf
Cees Nooteboom, ‘Naar de wereld, in de wereld, uit de wereld’ 
Met Naar de wereld, in de wereld, uit de wereld. Dagboeken 1996-2006 verscheen onlangs het tweede van de drie geplande dagboeken van Cees Nooteboom (1933-2026). Het is een soms genadeloos zelfportret van een schrijver die voortdurend onderweg is en niet aarzelt om, ondanks internationale prijzen en internationaal succes, zijn intellectuele twijfels te tonen.
Het boek telt meer dan achthonderd bladzijden, en is een vervolg op De danser en de monnik. Dagboeken 1970-1995. Nooteboom stapt met zijn dagboeken – een bloemlezing van reisimpressies, ontmoetingen met vrienden, leeservaringen en dagelijkse gebeurtenissen – in de traditie van belangrijke voorgangers zoals Virginia Woolf, André Gide en Witold Gombrowicz.
Wat een dagboek als genre aantrekkelijk maakt – althans in de optiek van Nooteboom – is dat je meteen heel dicht bij iemand bent. Dagboeken kennen immers geen systemen of abstracties. Wie ze schrijft zoals hij, getuigt van durf, verhult weinig en biedt interessante leesvoer aan. Meer nog dan in het eerste dagboek, waarin vooral Duitsland en Spanje centraal stonden, is hij dit keer vaak op reis met zijn levensgezellin en fotografe Simone Sassen. Soms is het op het waanzinnige af. Het levert boeiende notities op over veelvuldige trips naar Japan en zijn verblijf in India, Zuid-Afrika en Californië.
Als reden waarom hij alles zo minutieus heeft opgetekend, haalt hij zijn slechte geheugen aan. De ware reden is dat bij hem alles om schrijven draait, want wat niet is neergeschreven, heeft niet bestaan. Roem, daar is het hem niet om te doen: ‘Roem is zo idioot (…) al die onzin van buiten. Schrijven is het enige.’ Zo kan hij in de tuin in Menorca palmbladeren afzagen, maar eveneens werken aan Allerzielen, een boek waaraan een eigenaardige wordingsgeschiedenis wordt toegeschreven. Hij werkte er twee jaar aan, zowel in Santa Monica, Australië als op het Spaanse eiland Menorca, waar hij zijn vaste stek had.
‘Nader nu werkelijk het einde van het boek, en voel tegelijkertijd een grote spanning en een merkwaardig gebrek aan concentratie, alsof het zich allemaal ondergronds afspeelt, en eigenlijk al af is. Dat is natuurlijk onzin.’
Een aarzelend auteur aan het woord
Waar hij ook verblijft, er is altijd de band met Nederland, waardoor hij over het literaire leven goed geïnformeerd blijft. Een stuk in De Groene Amsterdammer over de zeventigste verjaardag van Harry Mulisch – niet bepaald zijn hartelijke vriend – doet hij af als geschreven door twee imbecielen. Hij voegt eraan toe dat als je zoiets leest, je je altijd besmet voelt door vulgariteit, kleinheid en anti-intellectualisme.
Het reflecteren leidt af en toe tot piekeren; hier is een aarzelende auteur aan het woord. Er is de voortdurende dualiteit tussen een onzeker iemand en een succesvol auteur die nu en dan tegenover volle zalen staat. Het brengt hem bij Stendhal, die tegen zijn vijftigste wilde weten wie hij was – een leeftijd die hij al lang voorbij is – en hij staat er nu bij stil dat hij nog steeds niet met woorden als liefde kan omgaan. Een aarzelende Nooteboom die anno 1999 plotseling verliefd is geworden op M., een Ierse schrijfster. Het roept vragen bij hem op, temeer omdat hij met haar geen toekomst voor zich ziet. Het levert spannende passages op, recht uit het hart geschreven, met een altijd aanwezige, loyale Simone in gedachten.
‘S. leest vandaag Proust, M. leest Sein und Zeit in het Engels, deux femmes, deux corps, et le poète entre les deux, déchiré et de temps en temps heureux. Maar beiden zijn exclusivisten. Schuldig voel ik me niet over de situatie, over het gegeven, uitsluitend – en pas nu – over de mechanismen.’
De literaire kwaliteit van W.F. Hermans
De zomer van 2000 begint rampzalig: zijn dagboek vol aantekeningen over Ierland, Oostenrijk, het geliefde Venetië en een lange reis met Simone naar Bali is gestolen of gewoon verdwenen. De neiging is groot om nooit meer in een diario te schrijven. Om te vermijden dat er nog grotere gaten in zijn geheugen ontstaan, besluit hij dan maar over te schakelen op losse schriften – ondanks het risico op verlies. Sinds enkele maanden is hij ook vertrouwd met e-mail, wat hij omschrijft als oneindig, vlot heen en weer, snel en makkelijk. Wel plaatst hij deze kanttekening: ‘maar afgedrukt is het onaanzienlijk’. Intussen gaat het lezen onverminderd door met Updike, Saramago, Nooit meer slapen en Het behouden huis van W.F. Hermans. Hoe groot de bewondering voor Hermans en Reve in bepaalde kringen ook is, toch vraagt hij zich af waarom die literaire kwaliteit niet ‘overgezet’ kan worden.
‘Is Hermans toch in het moeras van Nederland blijven steken, dat alles terugzuigt? Het lijkt wel of alleen Couperus en Multatuli daaraan ontsnapt zijn. En Slauerhoff, al weet ik niet wie zijn proza nog leest (behalve ik).’
Nooteboom is niet alleen een rusteloze reiziger, maar evenzeer een gulzig lezer. Kafka, Borges, Nabokov, Voltaire en Stendhal zijn altijd in de buurt. Zijn voorkeur gaat ontegenzeggelijk uit naar Marcel Proust, aan wiens À la recherche du temps perdu hij geregeld refereert, omdat ook hij in een gevecht met de tijd verwikkeld is. Het kost hem moeite om twee openstaande romans te voltooien. Dus besluit hij zich op de poëzie te storten, het hoogste voor hem. Er is de pijnlijke confrontatie: het nieuws dat Claus Alzheimer heeft, hakt stevig op hem in.
‘Gisteren dus het noodlottige bericht van Veerle – het is wat ze gedacht hadden, Alzheimer – en na Reve, wat ze goed hebben kunnen volgen, weten ze maar al te goed wat dat betekent. Het moet een gruwelijk vooruitzicht zijn. Toen we in Antwerpen waren, sprak ze over euthanasie – maar wie zal het ogenblik bepalen? Besluiten? Tegen kanker kun je eventueel nog strijden, maar dit heeft zoiets vernederends – daar is hij, als hij het half meemaakt, te trots voor.’
Bladzijde na bladzijde geniet je van de belezenheid, eruditie en kritische zelfreflectie van de auteur. Het lezen wordt extra aangenaam gemaakt door zijn Franse vertaler, Philippe Noble, die de dagboeken vakkundig heeft ontdaan van alle onduidelijkheden. Bovendien stelde Noble achterin een namenregister met korte biografieën samen, een register dat nagenoeg honderd pagina’s beslaat. Aanvankelijk schreef Nooteboom zijn dagboek niet met de bedoeling om gepubliceerd te worden.
Pas nadat hij in 2015 zijn notities op de computer overtypte, besloot hij ze niet langer voor zichzelf te houden. Ook al schrapte hij passages, alles wat erin te lezen staat, getuigt van een grote descriptieve eerlijkheid. Dit is een meesterlijk boek van een schrijver zonder masker, waarin je eindeloos kunt bladeren zonder je een moment te vervelen.

