Speurtocht in het Parijse literaire leven
Dirk Leyman, ‘Passage Parijs’ 
Jarenlang verzamelde literair journalist Dirk Leyman alle mogelijke informatie die hij, ook maar ergens, kon vinden over het literaire leven in Parijs. Het resultaat mag er dan ook best wezen: ‘Passage Parijs’. Een vuistdik boek waarin de auteur nagenoeg alles vertelt over iedere schrijver die er ooit halt hield of woonde. Van Marcel Proust tot Michel Houellebecq. Niets of niemand is aan zijn aandacht ontsnapt.
Hoeveel kunstenaars, dichters, schrijvers of cineasten heeft Parijs vroeger al niet aangetrokken? En nog steeds is de Franse hoofdstad een sterke magneet voor alles wat van ver of dichtbij met literatuur of kunst te maken heeft. De Lichtstad blijft overigens de verbeelding prikkelen van eenieder die er voor korte of lange tijd verblijft.
Parijs met de P van Proust. De beroemde schrijver die er de metro haatte vanwege de microben, maar evenzeer allergisch was voor elk mogelijk straatgeluid. Reden waarom hij kurk liet aanbrengen op de muren van zijn kamer. Het lukte hem anders niet om in alle rust verder te werken aan ‘À la recherche du temps perdu’. Zijn magnum opus waarin te lezen staat: ‘J’avais toujours à portée de ma main un plan de Paris’. Het is immers in dit kleurrijk decorum dat Charles en Gilberte Swann, en andere personages, zich bewegen.
Een cultureel en artistiek bruisende stad waar Leyman, als een gedegen gids, de lezer begeleidt. Hoe hij Marcel Proust volgt – hij zit hem letterlijk op de hielen – typeert zijn jarenlange research en de grote zorg waarmee hij aan dit boek heeft gewerkt. Loopt hij in de Rue royale voorbij een chique porseleinwinkel van Villeroy & Bosch, dan signaleert hij dat zich op die plaats het vroegere Café Weber bevond. Niet zomaar een kroeg, wel een cultureel broeinest waar Alphonse Daudet en Claude Debussy over de vloer kwamen, net zoals Proust, die er om half acht ’s avonds zijn opwachting maakte.
Bang voor bedevaartplaatsen van extreemrechts
Het aantrekkelijke aan ‘Passage Parijs’ is dat voor wisselwerking is gezorgd. Is er uitvoerige info over een auteur, filosoof of kunstenaar, dan wordt ettelijke bladzijden verder langs een interessant parcours gewandeld, om op een interessante locatie te stoppen. Om het dan nog niet te hebben over de talloze ‘carnets d’adresses’, plaatsen die de meeste toeristische gidsen niet eens halen.
Niet te verwaarlozen stukjes van een puzzel die perfect in elkaar passen. Niets ontgaat Leyman. Wie herinnert zich nog dat dokter Destouches, alias Louis-Ferdinand Céline, auteur van het onvolprezen ‘Voyage au bout de la nuit’ ooit op een appartement in het hart van Montmartre verbleef?
Meer bepaald in de Rue Lepic 98, van waaruit hij op de derde verdieping een uniek uitzicht over de Franse hoofdstad had. Hij woonde er samen met Elizabeth Craig, een biseksuele vroegere Broadway-danseres. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verliet Céline Parijs, zwierf rond in Normandië en Bretagne, om uiteindelijk in 1941 naar Montmartre terug te keren, om zich in de Rue Girardon 4 te vestigen.
Adressen die aan het oog van voorbijgangers en toeristen zijn onttrokken: ‘…een gedenkplaat of duidend bordje zul je er niet aantreffen, terwijl beide plaatsen een bijzondere, zij het soms akelige rol speelden in de Franse letteren. Het Parijse stadsbestuur is ervoor beducht om van deze gevelpuien bedevaartplekken van extreemrechts te maken’.
James Baldwin sprak geen woord Frans
Amerikaanse auteurs in Parijs, ze nemen een behoorlijk aantal bladzijden in beslag. Er is niet enkel Ernest Hemingway in gezelschap van Janet Flanner, die als oorlogsverslaggevers, kranten en brieven doornamen in ‘Les Deux Magots’. Henry Miller die Villa Seurat 18 als zijn toevluchtsoord beschouwde, en er met Anais Nin een stormachtige relatie beleefde. Of F.Scott Fitzgerald, W.Faulkner en E.E.Cummings, wier Amerikaans bewustzijn door hun verblijf in de Franse hoofdstad was doordrenkt. Net als de jonge zwarte James Baldwin, die er in 1948 totaal berooid met zijn typmachine in een koffer arriveerde.
‘Maar predikantenzoon Baldwin, die geen woord Frans sprak, wilde vooral ontsnappen aan de virulente vooroordelen tegen zwarten en homoseksuelen in New York. (…) Zijn anger over de raciale discriminatie moest een uitweg vinden. (…) Eerst overwoog de in Harlem geboren Baldwin naar het pas opgerichte Israël te reizen. Tot een vliegticket naar Parijs een goedkopere optie bood.’
Georges Simenon in de ban van Josephine Baker
De Lichtstad, een gedroomde setting voor de pijprokende commissaris Maigret van Georges Simenon die er vijftien jaar verbleef. In Hôtel Aiglon, in de buurt van het cimetière du Montparnasse, schreef hij ‘La Tête d’un homme’. Een roman noir de noir, waarvan hij op één dag soms tachtig pagina’s neerpende. Simenon altijd gefascineerd door vrouwelijk schoon beleefde er bovendien een intense relatie met Josephine Baker, voor wie hij een soort manusje-van-alles was. Er was op een gegeven moment zelfs het plan om een Josephine Baker’s Magazine te laten verschijnen. Simenon zou onder het pseudoniem Patrick O’Donogon teksten leveren, tekenaar Paul Colin voor de illustraties. Het bleef bij plannen.
Wie niet louter in Parijs, maar destijds in heel Frankrijk voor ophef zorgde was de in Brussel geboren Marguerite Yourcenar, auteur van ‘Mémoires d’Hadrien’ en ‘L’Oeuvre au noir’, toen ze zich in maart 1980 – ze was toen 76 – bij de prestigieuze Academie Française voegde. Een vrouw in het hoogste cenakel van de Franse taal – een exclusief mannenbastion – was breaking news in alle media. Uiteindelijk bleek het niet meer dan een storm in een glas water. Yourcenar woonde slechts één vergadering van de Academie bij, en wees net als de degen ook het traditionele uniform af.
‘Gekscherend liet ze aan d’Ormesson weten dat ze het eerder prijs stelde op ‘een dolk om “het ik” te doden’: “Maar ik was bang dat de heren niet in staat zouden zijn dit te begrijpen…”’
‘Passage Parijs’ is zo veel meer dan wandelen langs hotels waar schrijvers ooit logeerden, panden die ze betrokken, cafés waar ze dronken en discussieerden. Het is een gigantische bibliotheek waarin je zonder een gids als Leyman hopeloos verloren dreigt te lopen. Dit alles aangevuld met rake portretten van literaire grootheden als Colette, Patrick Modiano, Marcel Proust, Apollinaire, George Orwell, Walter Benjamin, Georges Perec, Michel Houellebecq…et les autres. Voeg hierbij nog de roddels, citaten, foto’s en je hebt het gedroomde eindjaarcadeau in handen.

