Het mysterie van de ware liefde

Het mysterie van de ware liefde

Christophe Vekeman, ‘Het gebeurt, het gebeurt elke dag’ 4 out of 5 stars

In‘Het gebeurt, het gebeurt elke dag’ blikt Christophe Vekeman (1972) terug op ontmoetingen, gesprekken met zichzelf en al dan niet gelovigen na zijn ophefmakend boek ‘Tot God’.

Wat Vekeman in ‘Tot God’ omschrijft als een intensivering van zijn geloof, ontlokte achteraf heel wat reacties — van heftig tot gemengd. Dit wekt de indruk dat er vandaag enkel nog zwart-wit wordt gedacht in plaats van genuanceerd; een duidelijke vorm van polarisatie. Zo vindt hij op een dag in zijn bus een omslag vol brokstukken van een aan diggelen geslagen Christuskruis, gevolgd door een op ruitjespapier slordig neergekrabbelde boodschap: ‘Ik hoop dat jouw kinderen ook misbruikt worden.’

Reden genoeg om in een autobiografische non-fictieroman, verslag te doen van wat hem na ‘Tot God’ is overkomen. Sommigen die met een wijde boog om hem heen lopen, gewoon omdat zijn zogenaamde bekering — of wat daaronder moet worden verstaan van iemand die op zoek is naar God, hierover leest en nadenkt in de hoop antwoorden te vinden op existentiële vragen — hen irriteert, alsof ze zich in hun zogenaamde zekerheden voelen aangetast. Het verhindert hem allerminst om in ‘Het gebeurt, het gebeurt elke dag’, dat hij naar analogie met de Heilige Drievuldigheid in drie delen heeft opgesplitst, zijn criticasters met zinvolle argumenten van antwoord te dienen.

Geloven is voor Vekeman zo veel meer dan het naïef aanvaarden van alles wat iemand wordt voorgehouden. Het is een zoektocht naar de waarheid, waarbij hij geen enkele kritische vraag uit de weg gaat. Wat zegt de wetenschap waarin hij gelooft over dit alles? Er fijntjes aan toevoegend dat alles wat niet door de wetenschap verklaard of bewijzen kan worden, per definitie onbestaand of onwerkelijk is.

‘Het is niet, bedoel ik, omdat de wetenschap ons niets te zeggen heeft over pakweg de zin van het leven – en dat heeft ze inderdaad niet –, dat die zin er alles welbeschouwd niet zou kunnen zijn.’

Denkt u dat de duivel echt bestaat?

Hij is ook niet te beroerd om te erkennen dat hij de evolutieleer niet ontkent, erop wijzend dat deze te rijmen valt met het idee dat God het heelal heeft geschapen. En hoe te denken over zijn visie dat gelovige mensen gemiddeld vrolijker in het leven staan en gelukkiger zijn dan zelfverklaarde atheïsten? Belangrijke levensvragen die hij stelt en de antwoorden die hij daarop geeft, wekken soms de indruk dat hij een beknopte, hedendaagse versie van de vroegere Mechelse catechismus heeft geschreven, met vragen als ‘Gelooft u in het vagevuur?’ of ‘Denkt u dat de duivel echt bestaat?’.

Op de profane vraag of hij nog steeds meent geen romans meer te schrijven, volgt een volmondig ja, met als belangrijkste reden dat of een boek al dan niet goed geschreven is, er lang niet meer toe doet. Niet langer personages creëren, maar neerschrijven wat anderen echt te vertellen hebben, daar is het bij hem voortaan om te doen. Bijvoorbeeld de apostel Paulus, die het geloof inhoudloos en waardeloos vindt zonder een geloof in de verrijzenis van Christus – niet zonder te melden dat ook hij het niet zeker weet. Iets wat ook Vekeman overvalt wanneer hij zich in de kapel van Oostakker bevindt, vlak bij de grot.

Uitgerekend op die plek in Oostakker genas het been van Pieter De Rudder in 1875 op wonderbaarlijke wijze. Een wonder dat door de Kerk werd erkend als het ‘mirakel van Lourdes’. Het is daar waar Vekeman – meestal vergezeld door zijn vrouw Mieke – graag komt. Niet alleen om te genieten van de knapperige wafels in brasserie ‘Hotel de Lourdes’, maar vooral om de stilte op te zoeken en te kijken naar de ontelbare danktegels ter ere van Maria, de Troosteres der Bedroefden.

Wat Pieter De Rudder overkwam, kan George – een kennis van de schrijver – wellicht ook overkomen. Op een winterse dag gleed hij op weg naar zijn werk uit, met een ernstige beenblessure tot gevolg. Artsen en specialisten voorspelden een langdurig herstel, zonder enige garantie op een definitieve genezing.

Aan de toog van café De Zevende Hemel mijmeren

Goedhartig als ze zijn, rijden Vekeman en zijn wederhelft Mieke met hem naar de grot in Oostakker om voor zijn genezing te bidden, met als  verrassend resultaat dat George twee weken later verneemt dat hij niet langer meer artsen en kinesisten hoeft te bezoeken: zijn knie is genezen. Als even later kanker bij zijn zuster wordt gediagnosticeerd en haar vriend voor haar bidt, wordt ook zij hiervan genezen verklaard. Voor George nog altijd geen reden om in de kracht van het gebed te geloven, wat Vekeman bij de gedachte brengt dat zoiets lijkt op een primitieve vorm van magisch denken, waarna George antwoordt: ‘Ik ben een magisch denker, ja.’

Een gedachte die hem in café De Zevende Hemel na een glas whisky maar niet loslaat: zou het kunnen dat de duivel Georges zinnen had verbijsterd en hem ziende blind had gemaakt?

‘Het was een duivelse vermoeidheid die mij ertoe bracht, of nee, het was de Duivel zelf die mij ertoe bracht om opeens de Duivel te gaan zien, zo dacht ik nu, terwijl het niet de Duivel maar wel God was die mijn volledige aandacht verdiende. Laat George nu maar met rust, dacht ik, en concentreer je op God en op je geloof.’

Dan is er de schrijver, die na dit alles enigszins vermoeid aan de toog van café De Zevende Hemel viert dat hij gelooft, mijmert over de vraag waarom hij geen fictie meer schrijft, om tenslotte nog één keer zijn verbeelding de vrije teugels te geven met een sprankelende, sensuele passage die zich afspeelt in De Negende Hel, een kroeg waar hij aanpapt met de Italiaanse barmeid, voorzien van twee joekels van borsten die smeken om te worden vereerd, om tot de slotsom te komen dat alles wat hij had verzonnen niet geschikt was om aan de openbaarheid prijs te geven:

‘De waarheid was dat ik mocht lullen wat ik wilde, maar dat ik geen christen was (…) De waarheid was dat ik geen sikkepit te vieren had, en dat ik niet eens de moed bezat om dat aan mezelf te bekennen.’

Het geloof verbiedt ons zorgen te maken

Hij, die indertijd samen met Mieke in de Holy Trinity Church in Headington, waar C.S. Lewis vaak de mis bijwoonde, een mystieke ervaring had: ‘en ik luisterde naar de stem die niets anders mededeelde dan dat ik moest luisteren, heel goed moest luisteren, en wat ik hoorde was een lied.’

Na bladzijden lang vanop zijn imaginaire kansel in ellenlange volzinnen, weliswaar met vakmanschap neergeschreven, zijn geloof te hebben verkondigd, volgen hoe vreemd het ook lijkt, enkele wekendat hij zich van God verwijderd voelt. Hij die zonder gêne bekent een grote behoefte aan een houvast te hebben, die God te pakken wil hebben. Ook al is die God niet altijd aan zijn zijde, dan is er op het juiste moment die bisschop die tegen hem zegt: ‘Het geloof verbiedt ons, ons zorgen te maken.’ Een zin als een godsgeschenk, net zoals Mieke in zijn leven kwam. Het wonder van de ware liefde: ‘Dat ik het nooit moe werd om naar haar te kijken, als naar een ondoorgrondelijk mysterie: het ware mysterie.’ De liefde voor iemand, het valt niet te verklaren, het mysterie blijft.

‘Het gebeurt, het gebeurt elke dag’ is, ondanks de uitgesproken religieuze teneur, een grote liefdesverklaring aan Mieke, de jarenlange levensgezellin van de auteur. De afdronk is die van een ‘duivels’ goed boek dat verdient met grote gretigheid te worden gelezen.

Related Images:

Carlos Alleene