De Klimaatdichters verbeelden een meersoortige samenleving
Klimaatdichters, ‘Tongval van het verdwijnen : gedichten vanuit niet menselijk perspectief’ 
De Klimaatdichters zijn een snel groeiende beweging van Nederlands schrijvende woordkunstenaars. De groep die bestaat uit kerngroep Moya De Feyter, Margot Delaet, Sara Eelen, Saskia Stehouwer, Pieter Van de Walle en Anke Verschueren, aangevuld met een veertigtal dichters, plaatst niet-menselijke organismen centraal in deze bundel. De missie is duidelijk: vanuit een bekommernis over de staat van het milieu zetten ze zich in voor meer zorg voor onze planeet.
Een niet-menselijk perspectief
Met ‘Tongval van het verdwijnen’ publiceren de Klimaatdichters een bundel waarin ze in de eerste plaats een perspectief proberen te verschuiven. Gedichten vanuit niet-menselijk perspectief zetten planten, dieren, schimmels, en andere niet-menselijke organismen centraal. In de taal die wordt ontwikkeld om over een niet-menselijk ‘hen’ te schrijven, ontstaat een poëtische ruimte waarin de organismen die de Aarde bevolkt hebben, bevolken en zullen bevolken, floreren. Al was het maar in onze verbeelding.
Niet alleen de mens ervaart verlies, ook ecosystemen, soorten en landschappen ervaren verlies en verdwijnen. De gedeelde zorg voor ons verdwijnende eco-systeem verbindt mensen aan elkaar. Uiteenlopende stemmen uit het Nederlandse taalgebied ontmoeten elkaar via dit gedeelde taalproject. Jan Lauwereyns, Myriem El-Kaddouri, Pim Cornelissen, Tijl Nuyts, Geert Buelens, Paul Demets, Elise Vos, Geert Viaene, Alfred Schaffer, Astrid Haerens en vele anderen, schrijven elk vanuit hun poëtica, maar delen de bereidheid om voorbij het antropocentrische perspectief te kijken. Niet menselijke-organismen staan in relatie met de mens en vormen op die manier webben en netwerken van betekenis.
Ruwe potloodlijnen dragen stem
Ook de vormgeving draagt bij aan die leeservaring. De tekeningen van Babette Wagenvoort geven de bundel een sterke visuele identiteit. Haar illustraties bewegen zich tussen ruwe, onafgewerkte potloodlijnen en uiterst nauwkeurige detailstudies. Blaadjes, takken, vleugels, pootjes en wortels verschijnen als fragiele sporen op de pagina. Zelfs het inhoudsoverzicht wordt prachtig geïllustreerd: bij elk gedicht wordt eerst het organisme afgebeeld waarover geschreven wordt, pas daarna volgt de naam van de dichter. Het is een subtiele ingreep, maar ze onderstreept de centrale gedachte van de bundel: niet de mens, maar het organisme krijgt als eerste onze aandacht.
Zorg voor de ‘Chthonic ones’
De bundel past binnen de hedendaagse ecokritiek. Donna Haraway gebruikt de term Chthonic ones voor de vele aardgebonden levensvormen die de planeet vóór ons bewoonden, vandaag met ons delen en ook na ons zullen blijven bewonen. Vanuit dat perspectief verliest de mens zijn vanzelfsprekende centrale positie. Niet de afzonderlijke soort staat voorop, maar de relaties die verschillende levensvormen met elkaar aangaan: de webben, netwerken, rizomen en vertakkingen in ons samen-zijn.
Stemmen van het verdwijnen
Verschillende gedichten maken die gedachte tastbaar. In ‘Vleugelhelft’ schrijft Miek Zwamborn:
Toenadering vergt het terugdraaien van veel:
het aantreden van de mens,
het uitsterven van de archaeopterix.
De regels suggereren dat het verschijnen van de mens onlosmakelijk verbonden is geraakt met het verdwijnen van andere levensvormen.
Geert Buelens raakt met de vraag ‘wat is eigenlijk de volgorde van verdwijnen?’ een filosofisch domein aan in zijn gedicht ‘korenbloemen blauw naar Catharina van Rennes’.
Even raadselachtig zijn de verzen van Vrouwkje Tuinman in ‘Wildemanskruid’
Hoe lang nog zal het duren
voor ik weer besta?
Die vraag overstijgt het individuele bestaan. Ze klinkt alsof een platgebombardeerd landschap, een woud of een vervuilde oceaan zelf het woord neemt. Daarmee verschuift de bundel van rouw naar verbeelding: verdwijnen betekent niet alleen verlies, maar roept ook de vraag op welke vormen van samenleven temporeel mogelijk zijn.
Poëzie als oefening in verbondenheid
‘Tongval van het verdwijnen’ is meer dan geëngageerde klimaatpoëzie. Het is een talig experiment waarmee de kunst van het verdwijnen actief onder de aandacht van de lezer wordt gebracht. Door vragen als ‘Hoe lang zal het duren, / voor ik weer besta’ wordt het ervaren van tijd uit zijn menselijke perspectief gehaald. De beschreven ervaring gaat terug naar entiteiten waarin we niet gewend zijn om te denken en creëert draagvlak voor een verbonden ecologisch bewustzijn dat het menselijke overstijgt.

