Een talent voor eenzaamheid
Connie Palmen, ‘Johnnie Walker’ 
Met elk boek bewijst Connie Palmen (1955) haar briljante auteurschap. Haar nieuwe roman ‘Johnnie Walker’ vormt daarop geen uitzondering. Dit keer richt ze de blik op zichzelf: de breuk met de drank, de rol van het gezin, terrorisme en de grenzeloze liefde voor haar moeder komen allemaal samen in deze literaire schatkamer.
Na ‘Jij zegt het’, over het Engelse dichterskoppel Ted Hughes en Sylvia Plath, en de essays ‘Voornamelijk vrouwen’ en ‘Het drama van de afhankelijkheid’, moesten lezers elf jaar wachten op een nieuwe roman. Palmen is een van de meest succesvolle en geliefde schrijvers van de Lage Landen, met klassiekers als ‘De wetten’, ‘De vriendschap’ en ‘I.M.’, het grijpende portret van haar eerste grote liefde Ischa Meijer.
Een titel als ‘Johnnie Walker’ is geen toeval. Het was een publiek geheim dat Palmen jarenlang stevig dronk, al liet ze de afgelopen jaren in interviews weten dat ze gestopt is. Toch is dit geen verhaal over iemand die ten onder dreigt te gaan aan een alcoholverslaving.
Het was Henri Martin — haar leraar, mentor en kortstondige geliefde — die haar whisky leerde drinken. Wanneer ze in 1973 voor het eerst een Johnnie Walker bestelt in een café aan de overkant van de Maas, opent dat een belangrijk motief. De ik-verteller merkt op: ‘Wist ik vanaf de eerste slok aan de toog van café De Vriendschap dat hij er alles aan zou doen om mij te vernietigen.’ De drankduivel ligt voortdurend op de loer, maar bevrijdt creatieve zielen soms ook van hun faalangst — net zoals bij haar literaire helden Truman Capote, Patricia Highsmith, Dylan Thomas en Tennessee Williams, voor wie de bodem van de fles vaak in zicht was.
Een moeder die zichzelf voortdurend wegcijfert
Palmen heeft ervoor gekozen haar boek buiten de mal van een klassieke roman te tillen. Het is eerder een monologue intérieur van iemand die naar haar diepste kern zoekt en daarbij de eenzaamheid omarmt. Zo schrijft ze: ‘Ik voorzag vroeg dat ik eenzaam zou zijn, maar ook dat ik mijn leven zou wijden aan uitzonderlijk werk en aan een grote liefde, die twee.’ Wie was dat opgroeiende meisje dat het leven op aarde niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen te moeilijk vond, en dat later Nietzsche, Schopenhauer en een psychiater nodig had om inzicht te krijgen in de dubbelzinnigheid van het medelijden?
‘Johnnie Walker’ is duidelijk een ode aan haar moeder, een uiterst zorgzame vrouw die zichzelf voortdurend wegcijferde. Ze zorgde ervoor dat haar zonen en enige dochter in de beste omstandigheden opgroeiden, zich op de koop toe nog ontfermde over haar eigen, bepaald niet lieftallige moeder, en haar hand in het hospice vasthield toen ze overleed. Een vrouw die pas nadien zichzelf kon zijn.
‘Mijn broers en ik keken met verbazing naar de onafhankelijke vrouw die nooit meer klaagde of huilde, niet langer ten prooi viel aan zenuwaanvallen en ons stralend ontving als we thuiskwamen. We begrepen alle vier opeens van wie we ons talent voor eenzaamheid hadden geërfd.’
Een fascinatie voor Ulrike Meinhof
Als tiener weet Connie al wat ze wil: geen kinderen baren en schrijver worden. Op een gegeven moment raakt ze gefascineerd door de voortvluchtige terroriste Ulrike Meinhof, die ze trefzeker en vooral genuanceerd in beeld brengt. Dit gebeurt door toedoen van Leonard Leonhardt, werkzaam bij het Bundeskriminalamt, die een huisvriend is geworden. Hij wijst haar erop dat Meinhof haar hele jeugd omringd was door dominees en strenggelovige familieleden, waarna Palmen schrijft dat protestanten het in opstand komen tegen onrecht als een heilige plicht zien.
Naast Ulrike Meinhof duiken ook seriemoordenaar Jeffrey Dahmer en de controversiële Duitse cineast Rainer Werner Fassbinder op. Fassbinder en de RAF-terrorist staan symbool voor het naoorlogse Duitsland, waarin beiden een manier zochten om in een schuldig land te leven. Hun overgave was totaal: ‘De een (Meinhof) voor de groep en het terrorisme, de ander (Fassbinder) voor de eenzaamheid en de kunst.’ De zelfmoord van Meinhof leidt haar naar Albert Camus, wiens visie op zelfmoord – voor hem stond de keuze voor de dood gelijk aan de weigering de absurditeit van het leven te aanvaarden – ze weerlegt. Het zijn deze en andere verbanden die ze regelmatig legt, die van ‘Johnnie Walker’ zo’n veelzijdige roman maken.
‘Johnnie Walker’ is geen autofictie, maar een filosofische zoektocht van een verteller die door te schrijven in eenzaamheid een verlangen naar geluk nastreeft. Een roman waarmee ze grote namen uit de literatuur naar de kroon steekt. Connie Palmen op haar best.

