Gustave Flaubert en zijn mysogine vrienden

Gustave Flaubert en zijn mysogine vrienden

Erwin Mortier, ‘Gustave en wij’ 2 out of 5 stars

Je moet van goeden huize komen om je aan een literaire reus als Gustave Flaubert te wagen. Het risico dat je stevig onderuitgaat is namelijk groot. Schrijven over de Franse grootmeester werkt als een lakmoesproef: het is erop of eronder — zeker wanneer je zijn vrouwelijke entourage, met onder meer George Sand, Louise Colet en Juliette Herbert, in het vizier neemt. Voor Erwin Mortier (1965) kennelijk geen probleem.

Het is op z’n minst opmerkelijk hoeveel auteurs aan hem schatplichtig zijn of over hem hebben geschreven. Exemplarisch is Julian Barnes met ‘Flaubert’s papegaai’ (’84). Daarin gaat een gepensioneerde Engelse scheepsarts op zoek naar de originele opgezette papegaai die ooit op Flauberts bureau stond. Het is een subliem boek dat leest als een speurtocht naar de ware identiteit van de beroemde Franse auteur, om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat die onmogelijk te achterhalen valt. Dat verhindert Mortier echter niet om zich nu als een hedendaagse ‘flaubertiaan’ te manifesteren.

Beminnen was voor hem tijdverlies

Flaubert was een fervent brievenschrijver. Hij stuurde talloze brieven aan onder anderen Louise Colet, Juliette Herbert (wier brieven allemaal vernietigd zijn) en George Sand. Die laatste is de eerste die Mortier in ‘Gustave en wij’ opvoert. Hoe tijdloos zijn de brieven die hij haar stuurde? En hoe dacht Sand over hem? Mortier put uit hun correspondentie en vergelijkt hun afkomst en wereldbeschouwing, waarbij hij de onderlinge tegenstellingen scherp aanzet.

Sand verschuilt zich achter het excuus dat ze wellicht te scherp voor hem is, al koppelt ze haar genegenheid aan een heldere blik. Zit het haar hoog dat hij bij zijn kompanen over haar roddelt — dat ze een dikke kont heeft en sigaartjes rookt? Ze noemt hem etherisch en ongrijpbaar, maar fileert hem vervolgens als een mensenhater die beminnen tijdverlies vindt, nooit getrouwd is en zich verliest in boeken.

‘We zijn twee totaal andere werelden, wier dampkringen elkaar soms raken. Hij schrijft om zijn lezers aan hun verlatenheid te herinneren, ik om ze ervoor te troosten.’

Vertekent Mortier de realiteit? Hij kiest duidelijk de zijde van Sand wanneer hij haar als een matador op Flaubert loslaat: ‘Om hem de genadestoot te geven, speldenprikken toe te dienen, of hij, met dat volumineuze lijf van hem, vol stoom en aangezette woede op mijn rode lappen afstormt.’ Dit karikaturale beeld staat in fel contrast met alles wat er ooit tussen hen is geweest, en ontlokt bij de lezer nog geen glimlach. Het sluit af met: ‘dat we beiden hunkeren naar een gerechtigheid die zich nog niet in haar ideale gestalte op deze aarde heeft gevestigd, en dat voorlopig ook niet zal doen.’ Is het Sand gelukt om Flaubert — die ze een ‘oude troubadour’ noemt — onderuit te halen? Zegt deze slotregel immers niet alles: ‘We blijven mensen, niet waar, Gustave? Mensen toch, uiteindelijk?’

Louise Colet was niet welkom in Croisset

In ‘Sla ons open, wek onze lettergrepen tot leven’, het hoofdstuk over Louise Colet, wordt een andere toonaard bespeeld: een beter verhaal met minder schoonschrijverij. Dichteres en schrijfster Colet, bekend van vergeten boeken als ‘Les Cœurs brisés’ en ‘Ces Petits Messieurs’, was jarenlang de minnares van Flaubert — een tot de verbeelding sprekende relatie die ze overigens in ‘Lui’, haar belangrijkste roman, heeft verwerkt. Wat wil je als je te horen krijgt: ‘Ik ga van jou iets bijzonders maken, geen vriendin en ook geen maîtresse.’

In zijn statige woning in Croisset kwam ze nooit over de vloer; hij zocht haar liever op in Parijs. Ze wist menig mannenhart op hol te brengen: ‘Op mijn zesendertigste is mijn middel niet meer zo smal dat je het met twee handen omvat – al trekken mijn ranke hals en porseleinen schouders nog altijd de blikken van potentiële aanbidders.’ Ze verweet hem dat hij boeken schreef zoals zijn vader overleden patiënten ontleedde op het snijblok. Hij werp tegen dat persoonlijke gevoelens geen kunst opleveren. Hoe intens haar liefde voor hem ook was, de relatie strandde terwijl hij werkte aan ‘Madame Bovary’. Wat restte, was hun briefwisseling.

‘En mijn epistels, Gustave? Wat doen ze met jou? We beginnen oud en muf te worden, we roeren vaker in elkaars azijn. Wat ik je schreef moet een hele kist vullen, in dat huis waar ik nooit binnen mocht. Al die gemiste ontmoetingen, omhelzingen, al die extases en ons dierbare gekibbel.’

Colet was niet de melancholische en zachtaardige vrouw zoals Mortier haar portretteert. Integendeel, zij was een zelfbewuste, progressieve vrouw die goed voor zichzelf kon opkomen.

Een gezelschap misogyne vrienden

Een notoir gezelschap van misogyne vrienden – Alphonse Daudet, de broers Jules en Edmond de Goncourt, Maxime Du Camp en anderen – trekt onder leiding van Flaubert in ‘Vrouwen met verstand doen pijn aan onze oren’ (hoofdstuk drie) van bordeel naar bordeel. Ze vieren er hun driften bot en amuseren zich kostelijk. Mortier beschrijft het als een epigoon van Jef Geeraerts in een stijl die weinig aan de verbeelding overlaat: ‘Geef ons maar wijfjes buiten de stad, die naar stro en boenwas ruiken.’

Juliette Herbert komt als laatste aan het woord. Ze was de Engelse gouvernante van Caroline, de nicht van de schrijver. Caroline was er niet over te spreken dat haar oom een intieme relatie had met Juliette. Het verhaal gaat dat ze daarom alle correspondentie tussen beiden heeft vernietigd. Naast het lesgeven aan Caroline vertaalde Juliette ‘Madame Bovary’ in het Engels. In ‘Maar heel af en toe zijn we echt mensen, Gustave’ komt het dagelijkse leven ten huize van de schrijver aan bod, alsook de essentie van het schrijven: ‘Hij weeft een heel fijnzinnig scherm van woorden, zorgvuldig gecomponeerde taferelen…’

Wat wou Mortier precies bereiken met ‘Gustave en wij’? Ging het om het recyclen van al bekende feiten over de dames Sand, Colet en Herbert in een mooi gepolijst jasje? Of wilde hij zich taalkundig meten met de grootmeester zelf? Zou het?

Hoewel hij ooit beweerde dat schrijven voor hem een makkie is, blijven er dit keer te veel overbodig geciseleerde zinnen aan zijn pen haken. ‘Gustave en wij’ heeft wel wat weg van een opgeklopte slagroomtaart — maar net iets te goed om mee te gooien.

Related Images:

Carlos Alleene