Norwoods klaagzang door beenmerg en ziel
Tamarin Norwood, ‘Het lied van heel de wereld : over verdriet, moederschap en poëzie’ 
‘Het lied van heel de wereld: over verdriet, moederschap en poëzie‘ van Tamarin Norwood kwam uit in 2024. Norwood is schrijver en academicus. Haar essays over rouw en rituelen wonnen verschillende prijzen. ‘Het lied van heel de wereld‘ is haar tweede boek. De vertaling in het Nederlands werd door uitgeverij Weerwoord uitgebracht in mei 2026.
In het boek beschrijft Norwood haar zwangerschap, van een zoontje dat ze Gabriël gaan noemen. Na drie maanden krijgt ze met haar man en hun kleuter Anatole van de dokters te horen dat ‘Gabriel niet sterk genoeg is om te leven, maar ook niet ziek genoeg om te sterven.’ Samen besluiten ze de zwangerschap toch uit te dragen en Gabriël zijn geboorte en zijn korte leven te schenken.
Schemerlicht
‘Het lied van heel de wereld‘ is een elegie, een prachtig treurdicht waarin de lezer met de schrijver ontdekt wat de essentie van leven is. Norwood onderzoekt met haarscherpe nauwkeurigheid, bedachtzame woorden en formuleringen hoe je verder kan na verlies. De wreedheid en de breekbaarheid van het bestaan staan naast het wonder en de schoonheid. Licht en donker onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Meeslepende tederheid
Het boek ademt zachtheid. Veel passages zijn van een ontroerende en fijne delicaatheid. Als piepkleine vingertjes en zachte ledematen, de aaibare wangetjes van een pasgeborene. De lezer houdt paginalang de adem in. Je staat als het ware in de hoek van de kamer van geboorte en beleeft het prille stille begin en het korte midden van een babybestaan samen met de jonge ouders en de familieleden.
Je wandelt op kousenvoeten om het bed heen, om het wonder dat geboren wordt. Je bewondert de pasgeborene, leest in de beschrijvingen van zijn handjes, kleine lijfje, haartjes en ogen hoe Gabriël zijn leven aarzelend en behoedzaam begint. Eén en al overweldigende indrukken. Je drinkt zijn aanwezigheid in onze wereld in.
Hier is hij dan, ons zoontje. Zijn gezicht is gekreukt in een schattige kleine frons. Een waaier van rimpelige vingertjes, met huid die te los zit, die tast in het ijle. De enorme wijsvinger die zijn vader tegen zijn miniscule handpalm legt, wordt zacht vastgegrepen. We krijgen een beeld van zijn gezicht, dat lijkt op dat van zijn broer en ook op dat van hemzelf. Hij is zo rustig en klein dat je hem niet eens zou opmerken als je je blik door de ruimte liet glijden. Maar hij is er wel, en de kleine bewegingen van zijn vingers en zijn snelle hartslag zijn genoeg.
Gabriël leeft 72 minuten.
De kamer wordt ook de wachtkamer van het einde.
Ze keek me aan zonder iets te zeggen en ik herinner me dat ik knikte. Op dat ogenblik, herinner ik me, vond ik het bericht dat hij gestorven was onbeduidend, en dacht ik dat het een geheim zou zijn dat ik veilig kon bewaren, als ik het maar dicht genoeg bij me hield, en warm kon houden.
Als lezer weet je van bij het begin van het boek wat te gebeuren staat. In die zin is niets spannends aan het verhaal. Toch blijf je bladzijden draaien, word je meegesleept in een vertelling die van alle tijden is. Je wil weten hoe de gezinsleden omgaan met de zwangerschap, hoe de geboorte verloopt. Je wil Gabriël leren kennen. En daarna wil je ook weten hoe het gezin verdergaat als Gabriël er niet meer is. Je moet mee naar het einde van de wereld.
Afstoten en aantrekken
Norwoods lange meanderende zinnen scheppen een mystieke cocon van verstilde vanzelfsprekendheid, ze wikkelen je draad per draad in een deken van sfeer. Haar boek bevat een eerlijkheid die persoonlijke herinneringen en gedachten tot diepmenselijke ervaring verweeft. Ze vat de onwerkelijke verwezenheid van rouw. Ze omschrijft het doopsel, het sterven, het dode lichaam, de begrafenis, de reactie van Anatole en familieleden messcherp en meedogenloos, nuchter, haast analytisch wetenschappelijk.
Deze stijl doet ons tegelijk terugdeinzen en beter kijken, lezen, en luisteren. De dood is een mysterie dat ons verstand te boven gaat, alledaags en tegelijk bovenwerkelijk. Een mysterium tremendum fascinans. Een kind dat sterft doet ons huiveren en ons nietig en machteloos voelen, tegelijk trekt een dergelijk verhaal ons vreemd genoeg aan. We willen weten hoe we sterven, hoe we achterblijven, we willen weten hoe we in het licht van de dood kunnen leven.
Soelaas
Norwoord benoemt de troost van kennis en rituelen. Ze gronden woordeloos opnieuw in de werkelijkheid.
Alle kennis van de mens, kundig verzameld en doorgegeven via de inkt van liturgische teksten; steeds opnieuw gelezen en vertaald via de pagina’s van medische bladen en handboeken, verspreid en aldoor weer naar ons toe gebracht, alsof het de zwaartekracht was die ons te hulp kwam met deze liefdesdaden.
Dat is wat ook literatuur kan doen. Het onzegbare naderen. Delen wat ondeelbaar lijkt. De wrede werkelijkheid omzichtig in prachtige taal verpakken. Zodat we samen kunnen dragen wat moet.
‘Het lied van heel de wereld‘ zingt je van de wereld los. Je neemt afstand van de alledaagse werkelijkheid om stil te staan bij existentiële vragen en verwondering. Tegelijk schenkt het boek jou met de geboorte van Gabriël ook de diepe eerbied voor het ogenblik, het moment, die ene flinterlichte flits tussen licht en donker die leven is.
Leef! kan in deze context een betekenisvolle, hoopvolle boodschap zijn.

