Een gedicht was voor Lorca een vlinder

Een gedicht was voor Lorca een vlinder

Federico García Lorca, ‘Ik houd nog veel verborgen’ 4 out of 5 stars

‘Ik houd nog veel verborgen’, een verzameling brieven van de Spaanse dichter Federico García Lorca, laat zich lezen als een soort autobiografie. Het zijn brieven waarin de beroemde poëet de inspiratie achter zijn dichtbundels toelicht, maar die evenzeer de speciale band met zijn familie illustreren. Dankzij vertaler en samensteller Bart Vonck is de correspondentie van Lorca voor het eerst in het Nederlands beschikbaar.

Federico García Lorca (1898-1936) was een man van vele talenten. Hij gold niet enkel als een van de belangrijkste Spaanse dichters, maar schreef ook voortreffelijk proza, speelde zowel gitaar als piano, werd om zijn toneelstukken geprezen en pende tussendoor ook nog brieven. Brieven die door Bart Vonck werden geselecteerd, vertaald en geannoteerd.

Ze omspannen een periode van achttien jaar. Een groot deel hiervan is gericht aan zijn familie, waarin hij zijn liefde voor Catalonië bezingt: ‘Spanje is dood, maar Catalonië leeft en daarom is er een literair, politiek en sociaal leven. Dat heb ik gedurende mijn korte verblijf kunnen observeren.’ In meer dan één brief dankt hij zijn ouders — vooral zijn moeder voorr wie hij een diepe bewondering heeft — en is hij hen dankbaar voor de peseta’s die hij van hen krijgt toegestopt. De vraag om geld is een constante in zijn briefwisseling, waarbij hij niet onvermeld laat dat hij het niet over de balk gooit.

Veel tijd voor goedkoop vertier heeft hij niet. Gedurende zijn verblijf in New York in 1929 studeert hij Engels en schrijft hij, zoals hij het thuisfront meldt, als een waanzinnige: ‘Bijna een heel boek… en ik heb er haast nog een af. Als ik zo doorga, breng ik er minstens drie mee naar Spanje.’

Een mythisch bestaan als poëet verzilveren

Wie zijn correspondentie leest, begrijpt zijn poëtica beter, ontdekt zijn enigmatische kant en leert de mens achter de dichter en schrijver kennen. Hierbij geldt wel een belangrijke kanttekening: hij construeert geregeld een ander beeld van zichzelf. Zo probeert hij een mythisch bestaan als poëet te verzilveren en waakt hij er angstvallig over dat hij zijn persoonlijkheid en ervaringen niet prijsgeeft. Niet zelden verdoezelt hij de waarheid.

Dat blijkt onder meer uit de brieven die hij tussen 1929 en 1931 vanuit New York verstuurt. Hij heeft het voortdurend over ‘de meisjes’ en zwijgt in alle talen over het geslacht dat zijn werkelijke voorkeur geniet. Hetzelfde geldt voor zijn verblijf in Cuba, waar hij lezingen geeft en het eiland verkent.

Tijdens een receptie in de Lyceum Club in Havanna valt hij zogenaamd voor de schoonheid van Cubaanse vrouwen — alsof hij zo zijn fijngevoeligheid en homoseksualiteit probeert te camoufleren. Enkel in een brief aan zijn vriend Melchor Fernández Almagro schrijft hij dat hij geen enkele vriend heeft en dat zulks hem met voldoening vervult, eraan toevoegend: ‘Maar ik denk altijd aan je en ik houd je plekje vrij in mijn hart, vol en overstromend van poëzie.’ Een verwijzing naar zijn voorkeur voor de herenliefde?

Een gouden muntstuk niet loslaten

Opvallend is de briefwisseling die hij met de familie Dalí onderhoudt, meer bepaald met Salvador Dalí, die hij uitnodigt om hem naar New York te vergezellen. Al in 1927 hunkerde hij tijdens zijn verblijf in Lanjarón in niet te misverstane bewoordingen naar Dalí:

‘Ik ben hier nogal geïsoleerd en wil alleen met de mooie obers praten, en ik weet al wat ze me zullen zeggen. Ik denk altijd aan jou. Ik denk te veel aan jou. Het is alsof ik een warm gouden muntstuk in mijn hand houd dat ik niet kan loslaten. Maar ik wil het ook niet loslaten, mijn kleine jongen.’

Ook is er de afhankelijkheid van zijn familie. In een van zijn vele brieven vanuit New York in oktober 1929 staat onder andere te lezen: ‘Als jullie willen dat ik hier vertrek, stuur me dan een telegram en ik vertrek onmiddellijk. (…) Ik doe in ieder geval wat jullie willen.’

Het illustreert zijn onzekerheid en het zoeken naar zijn plek in de wereld. Bepaald verhelderend zijn de missives waarin hij uitlegt hoe zijn werk tot stand komt en hoe hij dit alles ervaart. Zo schrijft hij in 1923 aan José de Ciria Escalante:

‘Ik merkte dat mijn verzen uit mijn handen wegglipten, dat mijn poëzie vluchtig en levendig was. Als reactie op dat gevoel is het gedicht in zijn huidige staat extatisch en slaapwandelend. Mijn tuin is de tuin van de mogelijkheden, de tuin van wat niet bestaat, maar kon (en soms had moeten) bestaan, de tuin van de processies die ongezien voorbijliepen en van de ongeboren kinderen. Ieder woord van het gedicht was een vlinder en ik heb er een voor een op moeten jagen.’

‘Ik houd nog veel verborgen’ getuigt van een ongeziene overgave. Momenten waarop Lorca in vluchtig geformuleerde zinnen verslag uitbrengt over alledaagse dingen, maken plaats voor een andere brief waarin hij in stilistische hoogstandjes zelfverzekerd zijn oeuvretoelicht. Een boek dat je in alle opzichten raakt.

Related Images:

Carlos Alleene