Hoe tederheid een systeem wordt: Šindelka over liefde, angst en herinnering
Marek Šindelka, ‘Systemen van tederheid’ 
Met ‘Systemen van tederheid‘ keert Marek Šindelka (1984) terug naar het literaire toneel met een roman die tegelijk experimenteel, intiem als scherpzinnig is. De Tsjechische auteur, inmiddels een gevestigde naam dankzij titels als ‘Klimaatverdriet’ (2020, Das Mag) en ‘Materiaalmoeheid‘ (2018, Das Mag), verkent opnieuw de fragiele zones tussen lichaam en geest, mens en machine, herinnering en verlies.
In de trefzekere vertaling van Edgar De Bruin ontvouwt zich een verhaal dat zich minder laat lezen als een klassieke roman, en meer als een zorgvuldig gecomponeerd systeem waarin tederheid, angst en loyaliteit voortdurend verschuiven.
De pianist die zijn hand verliest
Centraal staat Bohumil Fischer, een briljante pianist die zijn roem verwerft via twee albums, maar gaandeweg bezwijkt onder een allesverterend perfectionisme. Zijn obsessieve trainingsregime waarin hij doelbewust de zwakke plekken van zijn rechterhand opzoekt, krijgt iets mechanisch, iets onmenselijks. De in stilzwijgen gehulde Bohumil probeert zijn lichaam te disciplineren tot pure functionaliteit, alsof hij zichzelf wil omvormen tot een ‘automaton‘ die geen enkele emotie of angst kent:
“ en zo begon hij extra belastende oefeningen uit te kiezen, hij richtte zich opzettelijk op passages waarbij de hand verzwakte, waar de hand bang voor was. Hij verwachtte logischerwijs dat als hij zijn hand niet liet weglopen, als hij die op zijn plek hield, de hand mettertijd zou verharden, de angs t zou leren overwinnen, als een soldaat die in een trainingskamp in een gehoorzame machine verandert die eenmaal in actie niet denkt of voelt, maar enkel met aangeleerde bewegingen de notenbalk van de dood volgt.”
Zoektocht naar perfectionisme: tussen mens en machine
Die poging mislukt. Zijn hand begeeft het, zijn geest volgt, en alcohol wordt het middel waarmee hij zijn verval tracht te bezweren. Uiteindelijk laat hij zijn vrouw Milena en dochter Ada achter in een mengeling van verbittering, schaamte en onvermogen:
“Ada’s vader was een briljante pianist, later een alcoholist en nog later was hij niets meer.
Ada’s zoektocht: tederheid als echo
De jonge Ada groeit op in de schaduw van haar vaders afwezigheid. Als pianiste probeert ze te reconstrueren wat hij haar heeft nagelaten: fragmentarische jeugdherinneringen, chaotische muziekschriften en een naam die ze als een erfenis met zich meedraagt.
Šindelka toont hoe herinnering een onbetrouwbaar instrument is — een systeem dat hapert, vervormt, misleidt:
“Geheugen is een wanhopig disfunctioneel hulpmiddel. Herinnering liegt en bedriegt – en ons hele leven is erop gebouwd.”
Ada’s zoektocht naar verbinding is dan ook geen lineaire rouwverwerking, maar een poging om grip te krijgen op een verleden dat telkens verschuift:
“Ze bleef eindeloos naar die herinneringen terugkeren, ze ging erin uitrusten, stapte erin als in haar geheime gebedsruimte, omdat ze geloofde dat het bewijzen van vaders liefde waren. Maar wat waren die bewijzen waard als die herinneringen onder haar hand verbrokkelden, als wellicht geen ervan waar was?”
Haar relatie met pianist Hans, “als twee handen: hij de linker, zij de rechter”, vormt een tegenbeeld van de verbroken band met Bohumil: een tederheid die niet mechanisch is, maar wederkerig.
Tussen mens en machine
Een van Šindelka’s terugkerende thema’s is de verhouding tussen mens en mechaniek. De roman wemelt dan ook van systemen: het lichaam als instrument, de hand als symbool van kwetsbaarheid, de mechanische Turk als metafoor voor geautomatiseerde perfectie, de structuur van muziek en schaakopeningen als ordeningen die houvast bieden maar ook verstarren.
In ‘Systemen van tederheid‘, Šindelka’s eerste roman in zeven jaar tijd, botsen die vele systemen voortdurend op de menselijke imperfectie. Bohumils streven naar foutloze uitvoering leidt bijvoorbeeld tot diens afwezigheid, verval en finaal ook dood; Ada’s onophoudelijke verlangen naar verbinding met haar vader botst op de feilbaarheid van herinneringen. Šindelka probeert zo zichtbaar hoe tederheid zélf een systeem kan worden — een fragiel mechanisme.
Lyrische en filmische stijl
Šindelka schrijft met een zeldzame gevoeligheid. Zijn proza is ritmisch, beeldrijk en soms uitgesproken filmisch. Scènes worden niet zelden beschreven als close-ups: handen, schouders, ademhalingen. De roman bevat bovendien allerlei muziektheoretische beschouwingen, schaakpartijen en partituren die aan de tekst ook een visuele component toevoegen:
De inhoudelijke, vormelijke en stilistische keuzes werken vaak verbluffend goed: de taal ademt, pulseert, en maakt voelbaar hoe muziek en lichamelijkheid in elkaar grijpen. Tegelijk vraagt deze roman heel wat aandacht en geduld van de lezer — ‘Systemen van tederheid’ is immers een boek dat zich niet onmiddellijk prijsgeeft.
Waar het schuurt
Toch wringt er ook duidelijk iets. De overvloed aan muziektheorie (over Bach, Skrajabin, Liszt,..) en schaakopeningen kan voor sommige lezers misschien een drempel vormen; ze vertragen het ritme en trekken daarnaast de aandacht weg van Ada’s emotionele kern. Ook Milena, Ada’s moeder, blijft opvallend onderbelicht. Haar eigen zoektocht naar verbinding met Bohumil wordt slechts zijdelings aangestipt, waardoor haar rol minder gewicht krijgt dan die van Ada en Bohumil.
Een teder en breekbaar portret
Ondanks die kanttekeningen blijkt Šindelkas’ ‘Systemen van tederheid’ een indrukwekkende roman. De Tsjechische auteur ontleedt met chirurgische precisie de menselijke drang naar perfectie, maar toont tegelijk hoe net kwetsbaarheid en imperfectie ons definiëren. Het resultaat is een intiem, breekbaar portret waarin tederheid niet wordt voorgesteld als emotie, maar als een systeem dat ons verbindt — juist ook omdat het kan falen.

