Oog, oor en brein in trialoog: Romeo Castellucci beent het Wagneriaans exces volledig uit

Oog, oor en brein in trialoog: Romeo Castellucci beent het Wagneriaans exces volledig uit

De Munt, ‘Das Rheingold’ 3 out of 5 stars

‘Ik wil geen commentaar leveren op de wereld’, dixit Romeo Castellucci aan de vooravond van de repetities van het eerste deel van zijn enscenering van Wagners magnum opus ‘Der Ring des Nibelungen’. Na Castellucci’s even radicaal uitgeklede als betoverend mooie ‘Parsifal’ in De Munt ruim een decennium geleden, werd naar ‘Das Rheingold’ enorm uitgekeken. Deze keer echter geen ecologische meditatie of een zoveelste studie naar hebzucht als motor voor maatschappelijk verval, want de regisseur geeft expliciet te kennen zijn mise-en-scène niet te enten op de realiteit buiten de schouwburg. Veeleer is ‘Das Rheingold’ een geësthetiseerde interpretatie die de symbooltaal uit Wagners libretto en partituur doortrekt naar de visuele dimensie, waardoor de enscenering eigenlijk een hertaling wordt van de mythische kracht van Wagners muziek.

Een tollende hoepel – onmiddellijk metaforisch voor het perpetuum mobile dat Wagners ongeveer 15 uur durende Ringcyclus belichaamt. Het tollen houdt op, de hoepel is een cirkel. Een ring. Een ronding waarin een mens kan verdwijnen. Geen sieraad dat macht uitstraalt, maar een instrument dat verteert, dat humaniteit en moraal verpatst voor het idee grenzen aan de begeerte te kunnen doen ophouden. Het eerste van talloze iconische beelden is een feit. Later is de vergulde gloed weerkaatst door een perfecte lus de verblindende katalysator voor Wotans nietsontziende honger naar almaar meer invloed, elders de instigator voor twee reuzen om elkaar naar het leven te staan. Het embleem voor volmaakt evenwicht – de cirkel als meest democratisch aller geometrische vormen – krijgt bij Castellucci allerhande betekenissen. Het is tegelijk kerker, vergeetput, zon en zinnebeeld voor al wat de menselijk conditie transcendeert.

Naast Wagners zogenaamde Grundthemen komen in deze productie dus visuele leidmotieven te staan: repetitief ingezette elementen die, net als in de muziek, aan harmonisch-contextuele transformatie onderhevig zijn. Betekenissen liggen kortom niet vast, ze evolueren immers op basis van wat zich op dat moment in de plot voltrekt. Als dusdanig worden ze onderdeel van wat Wagner als Gesammtkunst voor ogen had: het zien in dialectisch verband met het horen en het weten. Anders gezegd is Castellucci’s beeldtaal in intellectueel opzicht strikt Wagneriaans: ze internaliseert diens compositorische principes voor een regie die, omdat ze absoluut niet decoratief noch interpretatief-dienend wil zijn, uitsluitend aan een artistieke logica beantwoordt geschoeid op Wagners leest.

Wagners utopische kunstvorm veronderstelt bovendien een actief publiek. Ook dat idee huldigt Castellucci, bijvoorbeeld door de ouverture – een Genesis van klank en wereld – in het duister te situeren, waarbinnen de individuele verbeelding hoogtij viert. Deze akte van niet-verbeelden, waarmee Castellucci zijn tetralogie laat aanvangen, is een noodzakelijke geste om wat volgt te kunnen doorgronden: de kunstenaar zal namelijk geen sluitend werkstuk afleveren, maar nodigt uit tot een allegorische dialoog waarin de toeschouwer als mens niet verdwijnt, maar integendeel noodzakelijk wordt. Zonder publiek immers geen betekenaar.

Een tendens in Castellucci’s werk de voorbije jaren is ten slotte diens doorgedreven zoektocht naar homogene, uitgepuurde zinnebeelden. De quasi naakte lichamen die doorheen deze enscenering een rode draad vormen – van de erotische puurheid van de Rheinmädchen over een hellenistisch godenideaal naar Alberichs miezerige broosheid of plebs dat door het vanzelfsprekende despotisme van Wotan en co vermorzeld wordt – zijn daar een voorbeeld van. Alweer laat Castellucci de emblematische visuele signatuur transformeren naargelang de plotmatige omstandigheden. Resultante is een mise-en-scène die vanuit een handvol weloverwogen entiteiten een omvattend universum opbouwt, van een abstractie waarbinnen de partituur en het libretto hun eigen respectievelijke realiteiten kunnen realiseren.

In theorie is Castellucci’s regie kortom een ware revelatie, althans conceptueel. In werkelijkheid vindt Wagners unendliche Melodie echter te weinig weerklank op de bühne. Want waar is de onmiddellijke aantrekkingskracht van de prachtige motieven, de onweerstaanbare wellust van het deinende orkest, het dwangmatige en driftmatige dat noch vrijblijvende noch gefragmenteerde lectuur van deze proloog mogelijk maakt? Anders dan de componist, die zijn fanatieke ideeënkader vanuit een haast instinctief-esthetische stijl wist te realiseren, rijgt Castellucci op meer artificiële wijze zijn briljante ideeën aan elkaar.

Hoezeer de abstracties de ervaring van de opera ook mogen verrijken, eigenlijk kijkt het publiek naar een doelbewust kunstmatig gehouden en dus minder vanuit een humane bezieling geïnspireerde representatie van de handeling, waarin het mythologische zich niet als toneelmatige werkelijkheid probeert te manifesteren. Die vormelijke keuze zet de poort naar een metaperspectief wagenwijd open, doch laat de meer evidente psychologische insteek links liggen. Alain Altinoglu spant weliswaar een fenomenale boog richting hartroerende finale, de musici blinken uit qua orkestrale densiteit en solistische kwaliteit, de voltallige cast bewijst zich in de diverse rollen, en toch ontbreekt iets. Dat ‘iets’ is de theatrale sprankel die het mythologische verzinsel het aura van authenticiteit verleent. Deze ‘Das Rheingold’ is een feest voor oog, oor en brein, maar het hart weifelt.

Gehoord & gezien De Munt op 03/11/2023.
Copyright foto: Monika Rittershaus