Wachten op Godot met de poëzie van het alledaagse

Wachten op Godot met de poëzie van het alledaagse

Toneelhuis & Olympique Dramatique, ‘Wachten op Godot’ 4 out of 5 stars

Een ‘aardse Beckett’, met personages die hun beide voeten op de grond hebben: dat is hoe Tom Dewispelaere met Olympique Dramatique ‘Wachten op Godot’ wilde interpreteren. Niets geen etherische of metaforisch geladen stijl, wel mensen van vlees en bloed. Ze hebben honger, zijn moe, lijden pijn, kortom ze zijn op heel concrete wijze een verwerkelijking van de menselijke conditie.

Wars van hoogdravende metafysica zijn Vladimir en Estragon in deze adaptatie van Becketts inmiddels bijna zeventig jaar oude tekst gewone mannen, met kleine kwalen en alledaagse frustraties. Ze bekvechten niet zozeer over de zin van het bestaan, als wel over hoe ze de dag moeten doorkomen in confrontatie met hun angsten, hun eenzaamheid, hun ouderdom en het wachten zelf. Deze ‘Wachten op Godot’ drukt uit dat het wachten samenvalt met het leven zelf, en dat dit wachten alleen dragelijk kan gemaakt worden door te kiezen voor het leven, ook al is er geen helder perspectief op wat nog komen moet.

Zeker is dat geen twee acteurs beter geschikt zijn om het duo Didi en Gogo tot mensenmaat te herleiden dan Tom Dewispelaere en Tom Van Dyck. Beiden vinden elkaar blindelings in absurde dialogen die los van een contextueel kader verstoken zijn van betekenis, maar dankzij de gevoelsmatige identificatie van beide spelers toch humaan overkomen, en dus ontroeren. Waar Becketts tekst op papier uitnodigt om achter de elliptische dialogen metaforen te zien die raken aan de existentiële en ideologische thema’s die na de Tweede Wereldoorlog de Europese filosofen collectief bezig hielden, herleiden Dewispelaere en Van Dyck de woorden opnieuw tot spel, tot toneel, tot theater. Een terechte keuze overigens, want het is een bevrijding ‘Wachten op Godot’ niet als meta-theater, niet als etherisch intellectualisme te moeten ondergaan.

Ook Pozzo en Lucky, het zonderlinge tweetal dat Vladimir en Estragon tijdens het wachten ontmoet, worden trouwens superieur vertolkt. Nico Sturm heeft aan een hilarische monoloog voldoende om de mens te portretteren als een wezen dat in de zoektocht naar absoluut weten gedoemd is om op de grenzen van de ratio te botsen. Lucky – ultiem filosoof? – kan alleen functioneren zonder het denken, als een robot die zich door te handelen ontdoet van de marteling van de oneindige overpeinzing. Koen De Sutter is als Pozzo dan weer helemaal in zijn element. Hij trekt de registers van het absurde wagenwijd open, om een exuberant personage neer te zetten waarvoor de toeschouwer tegelijk afschuw als mededogen voelt. In zekere zin worden Lucky en Pozzo hier opgevoerd als antipoden, want anders dan Lucky zweert Pozzo bij voorbaat alle kennis af via een radicale keuze voor schone schijn – hij maakt als het ware een personage van zichzelf, waardoor hij de weerblik van de existentiële spiegel systematisch bedriegt.

Vladimir en Estragon doen dat echter niet. In deze enscenering construeert de idee van Godot nadrukkelijk de potentie van een collectief. Ze bestaan niet alleen, omdat ze samen wachten. Ze worden gezien – zoals Van Dyck de piepjonge gezant van Godot toeroept – omwille van het wachten, kortom ze zijn omdat ze wachten, maar ze zijn ook samen dankzij dat wachten. De ellende van een schier oneindige tijd in afwachting van iets of iemand die nooit komt, kan bijgevolg net zo goed de viering zijn van een onderlinge verwantschap. Aldus herkauwen Dewispelaere en Van Dyck in opperbeste stemming de woorden van Tom Waits: ‘Everywhere I go it rains on me’. Zo lang ze een paar vormen – koor der mensheid! – valt er troost te putten.

<strong>Toneelhuis & Olympique Dramatique</strong> Book Cover
Toneelhuis & Olympique Dramatique

Copyright foto: Kurt Van der Elst
Gezien Waagnatie op 23/10/2020.

Jan-Jakob Delanoye

Jan-Jakob Delanoye

Jan-Jakob Delanoye is chef podium bij Cutting Edge.

Geef een reactie