Elke noot een geloofsbrief: Patricia Kopatchinskaja en Mirga Gražinytė-Tyla worden geen wereldsterren, ze zijn het al

Elke noot een geloofsbrief: Patricia Kopatchinskaja en Mirga Gražinytė-Tyla worden geen wereldsterren, ze zijn het al

Patricia Kopatchinskaja, Mirga Gražinytė-Tyla & City of Birmingham Symphony Orchestra, Koningin Elisabethzaal Antwerpen 4 out of 5 stars

Tot voor kort waren vrouwelijke dirigenten schandalig ondervertegenwoordigd op de wereldwijde bühne. Gelukkig zetten zowel binnen- als buitenlandse orkesten die anomalie in ijltempo recht. Zo stelden Antwerp Symphony Orchestra en Symfonieorkest Vlaanderen in een relatief recent verleden jonge dames aan als chef. Internationaal zijn het evenwel nog steeds bijna uitsluitend mannen die de plak zwaaien bij toporkesten, een enkele uitzondering – wie denkt niet aan Marin Alsop? – daar gelaten. Het City of Birmingham Symphony Orchestra, dat al in 2016 met de Litouwse dirigente Mirga Gražinytė-Tyla een schijnbare outsider tot muziekdirecteur benoemde, is nog steeds enig in zijn soort, en wel omdat gerenommeerde orkesten doorgaans geen risico’s nemen. Niet zo dus in het hart van de UK, waar Gražinytė-Tyla de reputatie van illustere voorgangers zoals Nelsons, Oramo en Rattle hoog te houden heeft.

Kwatongen noemden de aanstelling van de nauwelijks dertig jaar jonge dirigente zes jaar geleden een mediastunt, meer dan een keuze voor muzikale kwaliteit. Hun ongelijk is de voorbije jaren echter bewezen. Inmiddels heeft de Litouwse publiek en pers voor zich weten in te nemen, en dat niet met schone schijn. Charisma is een kernwoord wanneer men de naast het podium nochtans minzame Gražinytė-Tyla met haar musici aan het werk ziet. Daarnaast zet de dirigente in zowat elke partituur een eigenzinnige en verfijnde koers, wars van platgetreden paden doch niet minder huiverig voor nieuwlichterij of effectbejag. Ze mag dan assistent geweest zijn bij het Los Angeles Philharmonic onder Gustavo Dudamel, anders dan haar Latijns-Amerikaanse mentor kneedt Gražinytė-Tyla partituren niet naar de gangbare smaak van het publiek. Integendeel leert ze haar toehoorders opnieuw de oren spitsen, ook in het standaardrepertoire.

Zelfs melomanen die menen dat Tchaikovsky’s vierde symfonie voor hen weinig geheimen in petto heeft, weet Gražinytė-Tyla met verstomming te slaan. Niet met radicale ingrepen qua tempi of dynamiek, wel met minutieuze aandacht voor frasering en onderling contact tussen verschillende secties. Bijvoorbeeld geen lacherige houten in het andantino, wel hartroerend jeremiërende celli die subtiel een melodielijn naar het oppervlak van het fragiele klankweefsel brengen. Het scherzo licht Gražinytė-Tyla dan weer speels uit, expressief en ravissant, doch nooit pronkziek. In de hoekdelen zoekt en vindt de dirigente ten slotte groot affect, door de orkestrale woekering maximaal te laten resoneren, zij het wederom zonder in bombarie te vervallen. Opzichtige emotie? Dat is meer iets voor een bisnummer. Aan het filmische eerbetoon jegens het Oekraïense volk voegt Gražinytė-Tyla nauwelijks iets toe. Kitsch niet proberen opkalefateren tot kunst: ook dat getuigt van artistieke identiteit. Dudamel kan er verdorie wat van leren!

Aan artistieke identiteit trouwens geen gebrek bij Gražinytė-Tyla. Dat blijkt alleen al uit haar discografie, waarin een belangrijke rol weggelegd is voor Mieczysław Weinberg. Deze Russische componist, die net als Shostakovich zijn hele leven lang worstelde met de censuur en de dominantie van het staatsapparaat, geniet vandaag niet de bekendheid die hij verdient, aldus Gražinytė-Tyla. Voor Deutsche Grammophon blikte zij reeds twee van diens 27 symfonieën in, en er zouden meer opnames op komst zijn. De vierde, het opus 61, benadert de Litouwse als een fascinerende klankkast van gevoelsmatige uitersten. Reeds in de openingsmaten etaleert ze de pure klasse van haar orkest, dat met een gemillimeterde perfectie het haast machinale militarisme van de Sovjettijd verklankt, gevolgd door talloze meer mijmerende en geësthetiseerde passages, alsof Weinberg het keurslijf van zijn eigen tragische realiteit doelbewust in botsing brengt met de concepten vrijheid en schoonheid. Te amorf, vrijpostig, wijdlopig: er zijn redenen waarom Weinbergs vierde symfonie niet tot de canon is gaan behoren. In de luisterrijke, geëngageerde en vooral karakterieel vakkundig geïnterpreteerde lezing van het City of Birmingham Symphony Orchestra en haar chef, vormt de symfonie evenwel een ontdekking.

Stravinsky’s minstens even wispelturige, ja zelfs ronduit extravagante vioolconcerto sluit feilloos aan op Weinbergs immanente ambiguïteit. In zee gaan met de passie en het compromisloze kunstenaarschap van Patricia Kopatchinskaja, betekent geijkte paden afwijzen en weerbarstige keuzes omhelzen. Ook zo doorheen dit concerto, waarin de Moldavische stervioliste enerzijds haar onbegrensde virtuositeit met sprekend gemak etaleert en anderzijds het cliché van haar tegendraadse natuur afgepeld ziet tot wat haar in essentie een grote kunstenares maakt: ongebreidelde en onbeschroomde originaliteit – niet zozeer het verlangen als wel de vurige plicht om van elke noot een persoonlijke geloofsbrief te maken! Haar visie, waarin de vondsten ontelbaar zijn en bronstig over elkaar heen tuimelen, laat misschien weinig ruimte voor de orkestrale nuance die Gražinytė-Tyla haast principieel nastreeft, maar wie kan daar aanstoot aan nemen? Kopatchinskaja harkt in haar toegift zomaar even een nieuwe cadens bij elkaar, voorwaar een proeve van het betere knip- en plakwerk uit Stravinsky’s eigenste partituur. Puur savoureren is het, van de energie, de precisie, de betrokkenheid, het spectrum aan registers, …

Zomaar, je reinste oorspronkelijkheid, in een handomdraai, zonder blikken of blozen: dat is wat mensen naar de concertzaal drijft. Een concert uit de duizend, zoveel is zeker.

Gehoord in de Koningin Elisabethzaal in het kader van het Klarafestival, mede georganiseerd door DE SINGEL, op 25/03/2022.
Copyright foto: Lukas Fierz


Jan-Jakob Delanoye

Jan-Jakob Delanoye

Jan-Jakob Delanoye is chef podium bij Cutting Edge.