Interview met Pieter Theuns, over B.O.X, miXmass en gezonde rebellie in barokmuziek

Een snoepdoos met barokke klanken

Op vrijdag 5 januari gaat het ‘miXmass’-festival in deSingel van start. Twee avonden lang programmeren Pieter Theuns en zijn ensemble Baroque Orchestration X er een selectie van bevriende of gelijkgezinde muzikanten. Een kristallisatie van het web dat ze de afgelopen zeven jaar als collectief hebben gesponnen. Het gemeenschappelijke genre situeert zich op de grens tussen indiepop en klassiek. Denk aan DAAU, Liesa Van der Aa, Dez Mona... Maar ook Efterklang treedt er op, naast Mugison en vele anderen. Op een tweetal namen na is de line-up een mooi huwelijk tussen Belgische en IJslandse bands. Dat is niet geheel toevallig. In IJsland bevindt zich, net als in België, een knooppunt van activiteit op het spanningsveld tussen klassiek en pop, twee muziekgenres die meer gemeenschappelijk hebben dan je in eerste instantie zou denken, zo leren we uit onze ontmoeting met de man.

CE: Wat vind je er zelf van dat veel van deze hedendaagse klassieke muziek ondanks alles binnen een bepaald nichecircuit blijft hangen?

Pieter Theuns: Ik heb het alleszins niet mijn keuzes laten beïnvloeden, maar je denkt er natuurlijk wel over na. Ik ben er mij goed van bewust dat B.O.X eigenlijk nog relatief onbekend is, ook al zijn er al enkele pieken geweest en hebben we ook al heel mooie recensies gekregen. We hebben nog steeds groeimarge. Als je in het hele grote veld van de indiepop en de rock rondkijkt, dan zijn er toch wel al wat tendensen merkbaar waaruit ik afleid dat er voor ons nog plaats is. Denk aan A Winged Victory for the Sullen, Joanna Newsom, de Dessner-broers van The National die bijvoorbeeld ook de soundtrack voor ‘The Revenant’ gecomponeerd hebben. Daar zitten klassiek geschoolde componisten tussen zoals Nico Muhly of Jonny Greenwood van Radiohead… Er is dus een aantoonbaar spanningsveld tussen klassiek en pop, waarbij die naar elkaar kijken en goesting hebben om samen te werken.

Je kunt echt een tekening of kaart maken en daar hotspots op aanduiden. Zoals bijvoorbeeld de IJslandse Greenhouse Studios en Bedroom Community in Reykjavík, met Valgeir Sigurdsson, die ook op miXmass te zien zal zijn. In New York heb je dan weer New Amsterdam Records,  bij ons in Vlaanderen zijn er ook wel wat mensen mee bezig, in Nederland heb je het Cross-Linxfestival. Er is heel veel ontmoeting tussen die twee werelden en ik denk dat ik voorlopig een soort van patent heb om daarin de barokke klankkleurrijkdom te trekken. Ik ben dus eigenlijk een soort van snoepdoos met barokke klanken om te gebruiken in dat spanningsveld (lacht). 

Hoe breed is jouw persoonlijke, muzikale smaak?

Heel breed. En tegelijk vind ik veel dingen intuïtief slecht. Ik heb geen guilty pleasures en ik luister thuis eigenlijk relatief weinig naar muziek. Voor mij is het alles of niets: als er muziek opstaat, ben ik net een konijn dat naar een lichtbak staart. Ik ben zeker niet mee met alles, zoals bepaalde muziekjournalisten. Maar ik probeer heel erg naar mijn buikgevoel te luisteren en daarbinnen kan er wel heel veel. Er is een link tussen goede pop- en rockmuziek en historische muziek. Dat komt omdat de harmonie telkens tonaal is en dat bepaalde effecten zoals emotie – waar je als componist op mikt – een beetje uit hetzelfde vaatje tappen als in popmuziek. Soms zijn er in oude muziek stukken die rond één à twee akkoorden blijven draaien om dan plots in een vierde graad uit te barsten. Dat lijkt goed op een simpele akkoordwisseling op de gitaar. Dat is dan misschien al twintigduizend keer gedaan, maar omwille van de instrumentatie, de opbouw, de dynamiek en de kleur van de instrumenten, is dat toch ineens alsof je het warm water hebt uitgevonden.

Het down-to-earthe van de emotie in popmuziek zit soms heel hard in veel oude muziek. En dat is wat voor mij werkt als muzikant. Wanneer dat er niet inzit en ik geen authentieke kern voel, dan kan ik het wel lastig hebben. Soms kan iets bijvoorbeeld zo virtuoos zijn, dat het echt in een porseleinen kastje past, maar dat je er geen vijf minuten lang naar wilt luisteren. Maar dat hangt erg van mens tot mens af. Er is genoeg plaats onder de zon, toch? Het is ook niet erg om iets slecht te vinden.

Op welk deel van de affiche ben je het meest trots?

Ik ben er vooral trots op dat Kórus op onze affiche staat. Zoals de naam al doet vermoeden is het een koor, bestaande uit een dertigtal goede muzikanten uit IJsland, die los van hun individuele projecten ook nog eens samenkomen om nieuwe muziek te maken. Pétur Ben, met wie ik ook al samenwerkte voor ‘The loom of mind’, trekt die groep. Hij is zo’n beetje my Icelandic brother of a different mother. Het wordt de eerste keer dat ze optreden buiten IJsland en vanwege de grootte van het koor, was het logistiek niet evident. Maar ik ben er geweldig trots op dat ze op miXmass staan!

Over enkele dagen begint het festival. Je probeert met B.O.X ook de dialoog aan te gaan met sommige namen op het programma. Hoe gaat dat repetitieproces eigenlijk in zijn werk? Er staan immers wel twintig verschillende formaties op het programma. Je kunt toch niet met elke naam op de affiche nieuw werk gaan maken?

Het hangt af van productie tot productie. We hebben eigenlijk alles al gemaakt, omdat we wisten dat de feestdagen ons niet veel extra ruimte zouden geven. Het is nu dus zaak deze week een opfrissingsrepetitie te houden. Gemiddeld steek ik er voor een nieuwe productie meer tijd in, maar dat heeft te maken met de formule die we hier uitproberen. Voor 'Sága' met Dez Mona repeteerden we destijds een maand, terwijl we nu voor sommige kortere stukken slechts vier dagen uittrekken. Door nu een festivalformule uit te werken, kan ik in de plaats van een avondvullend ding dat anderhalf uur moet duren, ook iets van een half uur programmeren. Of van veertig minuten. Kortere stukken dus, maar meer nieuwe dingen tegelijkertijd, met kortere repetities.

Het festival is dus verschillende dingen tegelijk. Het is ons jubileum, na zeven jaar, maar het is ook een statement voor het publiek, namelijk dat heel veel muziekbarrières kunnen wegvallen. Het is ook een praktisch antwoord op een probleem dat ik hier in deSingel had:  als je maar één avondvullende productie per seizoen mag doen, komt er nogal wat druk op te zitten. Want je moet dat anderhalf jaar op voorhand al gaan beslissen en heel dat gedoe vond ik eigenlijk oncomfortabel. Want ik weet dat ik dat nog vier jaar moet doen, ik ben hier immers artist in residence voor vijf jaar. Deze festivalfomule biedt meer vrijheid.

Je spreekt over een jubileum, maar zeven jaar is daarvoor geen evident getal. Waarom is het nu een goed moment?

Wel, het vijfde jaar was niet bijzonder, dat is gewoon gepasseerd. Terwijl er nu wel veel goed nieuws is. We hebben namelijk een structurele erkenning gekregen, we zijn hier in residentie en we kunnen meteen een heel aantal nieuwe producties programmeren die ik heel hoog inschat. En zeven is nu eenmaal ook een magisch getal (lacht). We blikken terug voor de eerste keer én we hebben heel veel goesting om er nog eens zeven jaar vol voor te gaan.

Je wil met B.O.X oude barokmuziek meer bekendheid geven. Schemert daar jouw verleden als muziekleraar door? Is het jouw belangrijkste missie om mensen barokmuziek en oude instrumenten beter te leren kennen?

Ik weet niet goed wat ik daar intuïtief moet op antwoorden. Het was alleszins geen bewuste drijfveer om daarmee te beginnen. Ik had eens een lang gesprek met Nils Frahm na een optreden en hij zei: “At the end of the day, you have to find your own tree to piss at.” Daarmee bedoelde hij: je moet ergens iets vinden waarvan je het gevoel hebt dat je er iets mee aan kunt vangen, dat ook je persoonlijkheid uitdraagt. Voor mij is B.O.X dat. Het ontstaat vanuit een persoonlijke fascinatie die authentiek en diepgeworteld is. Wil ik daarom als een missionaris iedereen bekeren tot barokmuziek? Neen! Het is dus geen overtuigingsdrang; de energie is iets milder dan dat. Ik wil iets aanbieden aan degene die het wil vinden.

In hoeverre speelt de ontstaansgeschiedenis en de context waarbinnen barokmuziek bloeide voor jou een rol? Je gebruikt immers wel die oude instrumenten, maar in hoeverre speel je nog barokmuziek wanneer jij vanuit deze tijd en uit een persoonlijke energie componeert?

De muziek die bijvoorbeeld een Bach maakte, was vaak heel functioneel. De puur economische druk om te overleven in die tijd bestond bij gratie van een mecenas of een koning… Dan word je geacht uit te voeren wat die persoon van jou verlangt. Voorbeelden in de muziekgeschiedenis waarbij mensen echt vrij gaan componeren, zijn erg beperkt. Vandaag is die context er niet meer. Muziek heeft nu een minder belangrijke plaats in het alledaagse leven. Dat is trouwens een heel actueel gevecht, want het is zo goedkoop geworden dat het voor veel muzikanten vandaag de dag moeilijk is geworden om gewoon nog maar aan de bak te komen. Waarom zou je dan nog nieuwe muziek maken? In die zin speelt het wel mee dat ik ben opgeleid in die oude muziek, maar mijn keuze is zeer bewust om met dat instrument te doen wat ik daar vandaag mee wil aanvangen. Zonder enige beperking. We vertrekken altijd van een wit blad, waarbij we toevallig een luit, een viola da gamba en een cornetto vasthebben. Maar we kunnen al die context natuurlijk niet zomaar weggommen.

Daar staat de X in B.O.X dus voor?

Ja, het is een barokke orkestratie – wat voor mij klankkleur betekent – van een gegeven ‘x’.

MiXmass programmeert een twintigtal concerten. Wat blijft daarvan hangen na het festival? Zullen bepaalde experimenten als basis dienen voor latere projecten?

Er zijn een aantal zaken die je nooit meer opnieuw zult horen, zoals die overzichtsshow, 75 minuten met allemaal verschillende nummers uit de voorbije zeven jaar. Het is te gek om dat later nog eens over te doen. Het is een mooi sluitstuk van het hele traject dat we tot nu toe hebben afgelegd. Er zijn ook wel projecten, zoals met Mugison of Dez Mona of Shara Worden (nu ‘Shara Nova’), die eigenlijk wel online, zo niet in cd-vorm, autonoom te beluisteren zijn. Anderzijds zijn er vier producties die we nadrukkelijk nu met dit festival in gang zetten. De festivalformule laat me toe te zeggen: dit half uur is het startpunt van iets wat mogelijk later wel avondvullend wordt. Met DAAU maken we nu een set van 35 minuten, met Efterklang maken we een set van 40 minuten. Met die Deense band is er al een concrete toekomst uitgestippeld. We openen samen met hen het barokjaar in Antwerpen en daarvan hebben we ook al enkele shows verkocht. Het project met Johan Petit – ‘Starfish’ – is iets totaal anders. Dat muziektheater, een samenwerking met MartHa!tentatief, zal ook nog hernomen worden voor een tournee, ook voor het barokjaar. Tot slot onderzoeken we tijdens het festival de mogelijkheid om een vervolg te breien aan het succesvolle ‘Sága’ met Dez Mona. Ik vind dat de line-up een leuk universum weerspiegelt van mensen die min of meer met hetzelfde bezig zijn. Dat vind ik interessanter dan alleen de show van B.O.X te programmeren.

Kun je al iets prijsgeven over de vormgeving van miXmass?

We gaan niet het hele gebouw gebruiken, maar proberen wel maximaal aan de slag te gaan met de ons toebedeelde ruimte. Zo gaan we bijvoorbeeld in de gangen een beperkte scenografie proberen toepassen met dat licht van Jan Pauwels (die ook meewerkte aan het ‘Sága’-project), maar globaal genomen is dat eerder bescheiden. Wat wel fijn is, is dat de theaterstudio een flexibele zaal is. Mensen kennen die meestal als een tribunezaal, maar je kunt daar ook een vlakke vloerzaal van maken, waardoor het meer de allure van het clubcircuit krijgt in plaats van die van een klassiek concert. Daarnaast hebben we ook twee extra podia in de gangen. Het eerste hebben we het Nox-podium genoemd: Nocturnal treedt er op, een project van twee van onze muzikanten. En ook ‘Nightman’ speelt daar, het soloproject van Tijs Delbeke. Ook The Golden Glows staan er met een soloset. Dat wordt dus echt een heel intiem plekje. Daarnaast heb je in de glazen gang beneden nog een plekje met de naam 'BarokXpress’: een shot pure barokmuziek, maximum een kwartier lang en dat elk half uur. Het is immers interessant om ook eens te tonen wat er normaal met die barokinstrumenten gebeurt. Alles samen gaat dat wel een fijn festivalgevoel geven, hoop ik.

Hoe zal de afterparty eruit zien?

Dat blijft geheim, ook voor ons. Mugison sluit de avond af, een echte party animal die van ons geen eindtijd kreeg. Misschien dat hij het kot dus wel helemaal zelf afbrandt.

Welke andere artistieke paden wil je in de toekomst nog bewandelen?

Wel, in het verleden hebben we al veel gedaan, maar tegelijk ook weinig. Onder deze nieuwe formule – de residentie – kunnen we wel weer op verschillende paarden wedden. Nu we ook wat meer erkenning krijgen, komt er al eens een vraag van buitenaf. En daar ben ik erg benieuwd naar. Ik hoop dat die interesse blijft aanhouden. Ik kan wel al iets zeggen over DAAU, die dit jaar hun 25-jarig jubileum vieren. Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot dat rock ‘n rollstatement van de klassiek geschoolde muzikanten uit het Antwerpse conservatorium, die wars van alles steeds hun eigen muziek hebben gemaakt. Bijzonder inspirerend. De naturel waarmee de pop- en rockmuzikant zijn eigen muziek maakt, dat is de klassieke muzikant meestal volledig kwijt.  Dat is voor mij de bestaansreden van die productie met DAAU, omdat zij daarin voorloper waren, zij durfden improviseren. Ik wil die wisselwerking in de toekomst zeker nog verder proberen te drijven. Dat we collectief, als bandje, ons eigen materiaal maken. In die situatie is er immers niks: geen partituur of dirigent. Alleen wat ideeën, wat riffkes. Banddemocratie, een totaal andere manier van werken dan onder een centraal gezag.