Exclusieve voorpublicatie 'Billie en Seb'

Op 18 januari verschijnt 'Billie en Seb', de nieuwe roman van Ivo Victoria. De schrijver uit Edegem schreef een verhaal over zielsverwantschap, over spel en ernst, maar bovenal over de vraag of we nog wel in staat zijn werkelijk te voelen in een wereld die al lang niet meer bevochten hoeft te worden. Op Cutting Edge lees je een exclusieve voorpublicatie uit deze ontroerende roman ...

De geur van sudderend vlees en aardappelkroketten die al enige tijd vanuit de keuken de woonkamer in dreef, werd plots vergezeld door een ijzige onderstroom. Zelfs de mannen aan tafel rilden kortstondig, waarbij ze snel de ene schouder na de andere optrokken en weer lieten zakken, en hun ruggen stevig in de gevoerde leuning van hun stoelen drukten. De moeder kwam de kamer binnen alsof ze de kilte op de hielen zat. Ze knikte naar de vader en de oom, en maakte daarbij het bekende gebaar met de wijs- en middelvinger, die ze voor haar getuite lippen hield. ‘Hij gaat naar buiten. Roken.’ ‘En, hoe is het ermee?’ vroeg de oom meteen.
‘Goed,’ zei de vader.
‘Doet hij iets? Gaat hij naar school? Heeft hij plannen?’ ‘
Hij heeft nu een geweer,’ zei de moeder opgewekt. Ze schoof haar stoel aan en ging knipogend de rest van het gezelschap af, dat genoot van de pompoensoep. Het was eind januari, en het weer was eindelijk omgeslagen. De kerstboom stond naar goede gewoonte nog fi er te blinken en te pronken. Pas in februari of maart zou hij kaal in de voortuin belanden. Dit waren de dagen van het gelukkige leven, zoals ze het zelf in gedachten verwoordde. Niets deed de moeder meer deugd dan een fl inke wandeling door de gaspeldoornvelden waaraan het dorp haar naam te danken had, die spontaan uitmondde in een etentje bij hen thuis, met vrienden en familie, de kleurrijke koelte van zo’n klassieke zonnige winterdag nog tintelend op hun wangen. Soep. Wijn.
‘Een geweer?’ zei de oom.
‘Al zijn vrienden hebben een geweer,’ zei de vader. Hij zette zich recht en gaf het brood door, met een vloeiende, geroutineerde handbeweging.
‘Een Sniper,’ zei de moeder.
‘Seb? Een sniper?’
‘Nee, het geweer,’ zei de moeder. Daarna, luider: ‘Iemand nog soep?’
‘Is dat wel slim?’ zei de oom.
‘Och,’ zei de moeder. ‘Echt niet? Niemand?’
‘Ik bedoel…’ zei de oom. ‘Gezien… Hoe heet ze ook alweer? Billie?’
‘Wat er met Billie is gebeurd was toeval,’ zei de vader. ‘Een incident. Meer niet.’
‘Het toeval,’ zei de oom. ‘Een ondergewaardeerde factor in het leven van ons allemaal, waarin het lastig geloven is, wellicht omdat het echt bestaat.’
‘Het arme kind,’ zei de moeder.
‘Je kan je zelfs afvragen wíé hier precies het slachtoff er is,’ zei de vader.
‘Juist, ja.’ zei de oom.
‘Maar de impact ervan…’
‘Ja, impact, hèhè, impact. Dat is zeker het juiste woord,’ zei de vader. Hij lachte en keek de tafel rond. Stoelpoten schoven over de houten vloer, alsof ze ongemerkt de kamer uit wilden sluipen.
‘Hoe gaat het eigenlijk met haar?’ vroeg de oom. ‘Hoelang is het nu geleden?’
‘Bijna vier maanden,’ zei de vader. ‘Eind september was het.’
‘Geen verandering. Ik heb gisteren met Marian gebeld,’ zei de moeder. ‘Het zal je overkomen, als ouders. Alleszins, hoe je het ook draait of keert: er zit nog leven in, dus er is hoop.’
‘Luister,’ zei de vader. ‘Wij zullen allang blij zijn wanneer Seb af en toe weer buiten komt. En ik bedoel niet: hier voor onze deur rond de lantaarnpaal staan draaien met Jamal en zijn maten.’
‘God beware ons,’ zei de moeder.
‘In het leven gebeuren dingen, je rouwt, en je gaat verder,’ zei de vader. ‘Toch? We hebben het allemaal meegemaakt. En Billie… Wij zijn er ook, hé, en Liza. En zijn vrienden.’
‘En die hebben geweren,’ zei de oom.
‘Allemaal.’ Opnieuw viel het de oom op hoe stellig en terloops zijn broer dit zei, waardoor hij zelf het vervelende gevoel kreeg niet op de hoogte te zijn van iets wat als algemeen bekend werd beschouwd.
‘Het is belangrijk dat hij niet geïsoleerd raakt,’ zei de moeder. ‘Alles wat hij doet is roken en op zijn kamer liggen. Zelfs wanneer Sam langs komt, wil hij soms niet naar beneden komen. Zitten wij hier met die jongen. Je geeft hem een kop koffi e, je wacht. Dat is toch niet normaal?’
‘Zeker, zeker,’ zei de oom. Hij zat met zijn rug naar de kerstboom, voor de vader en de moeder in kleurrijk tegenlicht gehuld dat zijn haren en zijn gelaat een bepaalde gloed meegaf die ontzag afdwong. In de ogen van de ouders flikkerde de machteloze hoop op het ritme van de beelden die op een televisiescherm te zien waren, in de hoek van de kamer. Op de grond, voor het toestel, speelde Liza met Duplo-blokken. Ze neuriede zacht terwijl ze het ene blokje op het andere drukte en langzaam ontstond er een grillige toren. Er weerklonken explosies, zacht, ze kwamen aangewaaid uit een ver verleden. Een nerveuze stem becommentarieerde. Liza bouwde geconcentreerd verder. Ook de rest van het gezelschap scheen niets op te merken. Het gesprek tussen de oom, de vader en de moeder was een eiland.
‘Tja,’ zei de oom. ‘Ik veronderstel dat dit de prijs is die we betalen voor die godverdomse vrede die al meer dan een halve eeuw de westerse wereld teistert.’ Hij keek met een vermoeide grijns de kamer rond. De vader knikte ernstig. De moeder keek achterom, in de richting van de keuken, zocht dan weer oogcontact met de andere gasten terwijl ze gebaren maakte die afwisselend ‘Alles goed?’ of ‘Het hoofdgerecht komt eraan!’ betekenden.
‘Die vrienden van hem. Waar schieten die op?’ vroeg de oom.
‘O, op elkaar,’ zei de moeder.
‘Elkaar?’
‘Ja, het klinkt een beetje raar,’ zei de vader. ‘Maar goed. Als je ze geen vertrouwen geeft, wat kan je dan verwachten? Ze doen het op de boerderij bij het spoor, waar Urbain vroeger woonde, die staat al een paar jaar leeg.’
De oom knikte. Een nauwelijks waarneembare siddering van licht trok over tafel; de kamer schrok. De oom keek omhoog, bestudeerde de lampen aan het plafond.
‘Gaat hij weleens op bezoek, bij die ehm… Billie?’
‘Ze mag geen bezoek ontvangen,’ zei de moeder.
‘En mocht het wel, dan mocht het ook niet. Niet zolang wij er iets over te zeggen hebben,’ zei de vader.
‘Hij weet precíés wat hem te wachten staat als hij het doet,’ zei de moeder beslist. ‘Hij is nog geen achttien, hè. Jongens als Seb hebben rust en evenwicht nodig, dat weet je.’ De oom knikte schuldbewust, als een recidivist.
‘Dus nu heeft hij van ons zo’n geweer gekregen,’ zei de moeder. ‘Voor kerstmis. Hij heeft er nog niet veel plezier van gehad, met dat weer. Maar binnenkort komen ze hem halen.’
‘Voor kerstmis,’ zei de oom. ‘Het feest van de vrede.’
‘Haha,’ zei de vader, en hij knipoogde. ‘Touché.’
De moeder stond op, giechelde, en zei: ‘Wij zijn niet gelovig. Zeg, jullie gaan mij toch niet met al die soep laten zitten?’ Met een stralende glimlach nam ze enkele lege soepkommen in ontvangst en liep de warmte van de keuken tegemoet terwijl ze de kilte achter zich aan sleepte.