Jupitter Goes Quattrocento

Onder de CE-kerstboom vandaag: een verzameling liedjes van over de taalgrens, muziekjes die ons - alsof de vrieskou van de afgelopen dagen niet volstond - koude rillingen verschaffen. Schuldige van dienst is de genaamde Sébastien Karkoska uit Ronquière, alias Jupitter Goes Quattrocento. Toegegeven, een naam waarvoor je eerst een bachelor in Romaanse talen moet behaald hebben om hem te kunnen uitspreken; dit vergezocht noemen zou een eufemisme zijn genre ‘Berlusconi bezorgt Italië soms een ietwat minder goede naam'. Maar het is deze 29-jarige singer-noisewriter vergeven, want wat hij uit zijn sonische hoed weet te toveren, is werkelijk fascinerend.
Met aftandse gitaartjes, rudimentaire elektronica, speelgoedsynths en hier en daar een verloren cimbaaltje of verdwaald beatje knipt en plakt Karkoska het ene bevreemdende pareltje na het andere bij elkaar.

In ‘Straight lines to zero' bewandelt hij het freakfolk-pad, getuige de gebroken drumbeat en het zenuwachtige getokkel op Spaanse gitaar; het schreeuwerige en nét niet valse gescheur van de elektrische gitaar splijt je hart ook nét niet in tweeën. Het intrieste en lichtjes dissonante snarenwerk in ‘The mockingfields' is dan weer très Red House Painters; donkere melancholie zoals je die nog zelden aantreft. Onaards mooi.
Onaards is ook hoe we de sample waarmee ‘Coldust' begint zouden bestempelen; een kille douche na de vorige twee bitterzoete songs, maar wat volgt blijkt toch instant schoonheid te zijn. Net als het warme, slepende en door knappe stemmenlagen opgebouwde ‘Alienattemps' klinkt deze song als een demo van The Notwist, maar dan eentje die steevast op het stapeltje ‘absoluut uit te werken en op plaat te zwieren' zou belanden. Onder andere ook omwille van het van flinke haren voorziene Engels dat Karkoska bezigt - iets wat ook de hierboven genoemde geliefde Teutoonse elektrorockers typeert. Het maakt het geheel zo mogelijk nog charmanter.
Op de valreep dus nog een van de interessantste ontdekkingen van dit jaar. Over het taalmuurtje kijken loont dus wel degelijk. Al was het maar om te zien dat Ronquière meer biedt dat een hellend vlak.

We wensen Jupitter goes Quattrocento alvast een vruchtbaar 2010 toe met meer van dit fraais. En jullie allen, lieve lezers, een jaar met nog meer fijne, kleine muzikale verrassingen.