Nu het einde van het seizoen stilaan in zicht komt, achtten zowel De Munt als de Vlaamse Opera de tijd rijp om nieuwe creaties op de planken te brengen. Waar in Brussel het etherische ‘Thanks to my eyes’ recent nog werd opgevoerd, profileert de Vlaamse Opera zich wederom niet als huis waarin alleen een kleine niche op de wenken bediend wordt. ‘Rumor’ moest een partituur worden die ook het ongeoefende oor kon bekoren en inderdaad is het klankbeeld van deze nieuwe compositie redelijk toegankelijk, of toch voor wie de opera afweegt tegenover ander hedendaags werk.
Voor ‘Rumor’ vertrok Duits componist Christian Jost van het verhaal ‘De zoete geur van de dood’, geschreven door Guillermo Arriaga. Cinefielen kennen die figuur ongetwijfeld als de scenarist van Iñárritu’s meesterwerken ‘Amores Perros’, ’21 Grams’ en ‘Babel’. De titel van de opera werd echter niet toevallig hervormd tot ‘Rumor’, een naam die een bewust gekozen tweeledigheid in zich draagt: in het Duits betekent het ‘kabaal’ (‘rumoer’), in het Engels ‘gerucht’. Jost liet zich door beide betekenislagen leiden bij het schrijven van de muziek: in zijn totaliteit is de partituur behoorlijk massief, maar tegelijk borrelt er heel wat binnenin. De geruchtenmolen die uiteindelijk tot een absurde terechtstelling leidt, is bij Jost onmogelijk te stoppen, maar doorheen de tunnelvisie van een op bloed beluste gemeenschap (hetgeen de muziek belichaamt), breken af en toe klassieke tot zelfs liturgische motieven. Op die manier trekt Jost de muzikale ‘neurose’ open tot een rijk totaalpalet dat zelden verveelt.
Met Martyn Brabbins haalde de Vlaamse Opera een dirigent in huis die van hedendaagse muziek zowat zijn stokpaardje heeft gemaakt. Onder zijn hoede laat het orkest een heldere vertolking horen, hoewel de musici soms trefzekerheid en scherpte missen. Dit staat appreciatie van de drukkende muziek echter niet in de weg. Wat meer een belemmering vormt om van ‘Rumor’ te genieten, is wat Guy Joosten visueel met het geheel uithaalt. Het idee om Arriaga’s simultaanvertellingen via de split-screen-techniek naar de opera te vertalen, is gedurfd, maar Joosten vergeet dat een flitsend heen en weer zappen tussen scènes door de intrinsieke traagheid van het medium opera geen kans op welslagen heeft. De regie draagt bovendien alle nefaste gevolgen van deze scènografische keuze: de vijftien korte taferelen worden stuk voor stuk in kleine ruimtes opgevoerd en dit staat groot drama in de weg.
Joostens keuze voor de karikatuur (net als in zijn ‘Wozzeck’ en ‘Salome’ trouwens) is nog meer problematisch. De fantasieloze kostumering, het gedweep met seksualiteit en het suggereren van laagheden door zangers van flessen drank te laten nippen, doen banaal aan. Verder probeert Joosten aan de hand van een stier de vraag naar beul en slachtoffer te stellen. Waar het vee eerst een metafoor is voor de moordenaar, laat Joosten de betekenis langzaam verglijden richting lijdend voorwerp. Door hier ook de kerk op te betrekken, stippelt Joosten een interessante intellectuele piste uit. Het expliciteren van de Christusfiguur aan het eind is dan weer een brug te ver: wat al de hele tijd sluimert, ontkracht Joosten uiteindelijk door finaal te expliciteren.
Puur muzikaal blijft ‘Rumor’ een avontuur het ontdekken waard, maar de regiematige invulling leidt noch tot een esthetische ervaring, noch tot benauwend, claustrofobisch theater. Wat dat betreft is deze ‘Rumor’ dus een gemiste kans.








Reageer