Compagnie Cecilia, ‘De broers Geboers’

Laveren tussen aangrijpend en absurd

Twee decennia zijn er ondertussen verstreken sinds de première van ‘De broers Geboers’, een van de creaties die regisseur Arne Sierens eind de jaren ’90 tot oogappel van het Gentse publiek verhief. Gesproken in lokaal dialect en gestoeld op getuigenissen uit de vierde wereld, was het een stuk dat onmiskenbaar verband hield met de wereld van toen. Vandaag is de tekst evenwel niet minder relevant, want tijdloos is de spiraal van ellende waar mensen in armoede in terecht komen omdat precies hun kwetsbaarheid hen afsluit van maatschappelijke re-integratie.

Setting van het verhaal is de piepkleine flat van mémé, een sociale woning van een paar vierkante meter die Marnix en Ivan Geboers dwingt op elkaars schoot te leven. Dat levert de nodige spanningen op, want de als crimineel veroordeelde oudste broer heeft het niet begrepen op de homoseksuele natuur van de jongere telg van het gezin. Deze worstelt op zijn beurt met de rechtse sympathieën van Marnix, die anno 2019 een visionaire voorbode blijken van de meest recente verkiezingsuitslagen. Was de analyse eind mei niet dat Vlaanderen naar rechts was uitgeweken omdat ideologisch links net als de centrumpartijen de gewone mens niet meer konden bereiken met hun politiek gekrakeel?

Sierens voert zijn karakters op in een schier oneindig conflict. Niet alleen gaan ze echter met elkaar in de clinch, want bovenal is hun strijdvaardige taal een teken dat ze met zichzelf geen blijf weten. De enige manier om hun onvermogen jegens hun tegenspoed meester te kunnen, is steun zoeken bij elkaar. Daar gaan veel woordenwisselingen aan vooraf, maar uiteindelijk zijn mémé, vader en kleinzoons tot elkaar veroordeeld. Die op biologische wetmatigheden gegrondveste constellatie draagt een onvoorwaardelijk engagement in zich waar geen taal voor bestaat. Sierens toont dit dan ook woordeloos, via een marginaal drinkgelag dat escaleert tot er een puinhoop achterblijft. En net in het collectieve karakter van dat puin deemstert hoop. Want zolang men elkaar heeft, is men niet verloren.

Humor is ogenschijnlijk het instrument waarmee Sierens de tragische dimensie van de verhaallijnen probeert te temperen, maar meer en meer evolueren de grappen richting een absurditeit die het drama niet afvlakt, maar juist aanwakkert. De komische uitvergrotingen, die ook in de persoonsregie opduiken, ontpoppen zich gaandeweg tot een middel om het theater te ontmantelen. Sierens brengt zijn toneel dus enerzijds dicht bij de mensen door hun taal, hun kopzorgen en hun kleinmenselijke trekjes te gebruiken, maar anderzijds doet hij die nabijheid teniet met accenten die herinneren aan het fictieve karakter van de opvoering, met als bedoeling de somberte op Brechtiaanse wijze vanuit de veilige afstand tot de bühne naar de realiteit te katapulteren.

Zo is de slotmonoloog van mémé een anticlimax voor wie ‘De broers Geboers’ vooral als klucht wil opvatten. Sierens trekt met haar getuigenis, waaruit blijkt dat ook zij een diep lijden meedraagt uit het verleden en toch koppig voortploetert, de registers van het pathos maximaal open, zij het op integere wijze. De diepste miserie wordt even vanzelfsprekend gedragen als een bril of een paar schoenen. De cast van deze reprise laat dat overigens schitterend zien, met Wim Willaert en Tom Ternest op kop. De balans die zij vinden tussen hilarische hyperbool en fragiele miniatuur vormt de sleutel tot de magie van ‘De broers Geboers’ – een barmhartige evenwichtsoefening tussen lachen en huilen.

Details Podium
Laveren tussen aangrijpend en absurd
Tekst & regie: Arne Sierens
Spel: Sebastien Dewaele, Tom Ternest, Wouter Bruneel, Wim Willaert, Marijke Pinoy
Scenografie: Guido Vrolix
Kostuums: Ellen Kromhout
Muzikaal advies: Junior Goodfellaz
Lichtontwerp: Johan Vandenborn
Copyright foto's: Kurt Van der Elst
Productie: Compagnie Cecilia
Location:
De Centrale
Datum opvoering:
2019-07-20 00:00:00