De Nieuwe Snaar heeft de voorbije decennia onomkeerbaar haar plaats en betekenis in het podiumlandschap van de Lage Landen verworven. De broers Kris en Jan De Smet traden eerst op als De Snaar, maar toen Geert Vermeulen hen in 1982 vervoegde, veranderden ze in De Nieuwe Snaar. In 1999 werd het trio een kwartet met de komst van Walter Poppeliers. De kracht van dit vrolijke mannencollectief zit zowel in doldwaze droge humor als in loepzuiver sentiment. Met hun liedjes, sketches, stunts en spektakel brengen de heren vermakelijk muziektheater. Sinds de jaren tachtig zijn ze een vaste waarde in 's lands culturele centra en hun nieuwe shows stonden jarenlang met stip aangeduid op de almanak van menig gezin.
Maar, driewerf helaas, na de afscheidstournee met ‘K O Ñ E C' zal De Nieuwe Snaar voorgoed in de annalen verpozen. Voor een laatste maal bundelen de vier blijmoedige heerschappen alle krachten en bouwen ze voort op dat waar ze in uitblinken: avondvullend entertainment. Voor hun laatste show leverden ze geen nieuw materiaal aan; met elf voorstellingen heeft De Nieuwe Snaar een benijdenswaardig arsenaal om een ‘best of' uit samen te stellen.
Die keuze voor een ‘best of' werkt uitstekend en valt meteen in de plooi. Dat verschillende elementen uit diverse shows zo goed aaneensluiten, is allicht omdat ze altijd op hetzelfde idee en dezelfde krachtlijnen hebben verder gewerkt. Met hun rijk repertoire en hun immens instrumentarium - waaronder een viool, gitaar, contrabas, drums, trompet, klarinet, saxofoon, ukelele, mondharmonica, accordeon, banjo, tamboerijn en zelfs een zaag - krijgen ze het publiek probleemloos op hun hand. Vele toeschouwers zijn grootgebracht met De Nieuwe Snaar en voor hen is ‘K O Ñ E C' een wandeling langs warme herinneringen. Het is waar wat Jan De Smet stelt in de loop van de show: een publiek verandert mee met de band. Maar dit zijn niet zomaar akkoorden uit lang vervlogen tijden: de nummers zijn verrassend tijdloos.
Hetzelfde gaat op voor de sketches en stunts. We waren zes jaar toen we de skilattenstunt voor het eerst zagen, maar de humor heeft 22 jaar later nog steeds hetzelfde effect. De rolbezetting draait meestal uit op drie tegen één: Geert Vermeulen is altijd de dupe bij stunts en spektakel. Hij fungeert als een nar die overloopt van de energie, met een hoog slapstick- en knuffelgehalte tot gevolg. Of hij nu in een betonmolen kruipt of met magneetschoenen ondersteboven gaat wandelen, het lijkt steevast mis te gaan, maar het is perfect georkestreerd.
Hun humor schuilt, los van de stunts van Vermeulen, vaak in kleine dingen. De mannen strijden onderling om de aandacht van het publiek. Ze wisselen van instrumenten, doen een ritmedans en halen te gepasten tijde een Belgische vlag of hogedrukreiniger boven. Hun nummers, steeds in smetteloos Nederlands, zitten vol kwinkslagen. Ze zijn hoogstens stout (denk aan ‘Liesje's poesje') maar nooit erover of vulgair en dus ideaal voor het hele gezin.
Aan hun spelplezier en energie valt af te leiden dat De Nieuwe Snaar nog lang niet uitgeblust, uitgezongen of uitgegrapt en -gegrold is. Aan de lachsalvo's en de staande ovatie van het publiek te merken, zijn ook zij hen nog lang niet beu. ‘K O Ñ E C' is dan ook een wondermooie zwanenzang. De Nieuwe Snaar mag, wat ons betreft, niet enkel Vlaams erfgoed maar ook beschermd erfgoed zijn. Gaat dat dus zien, voor ze in de annalen verdwijnen! Ze verdiénen het om uitgezwaaid te worden door u. En door u! En door u!


Reageer