Wiener Philharmoniker & Herbert Blomstedt, BOZAR Brussel

Onder noodlottig gesternte

Geen goden even onverbiddelijk als die van het verkeer. Zelfs met wat onmiskenbaar een van de hoogtepunten van het klassieke seizoen zou worden, hield het noodlot gisteren geen rekening. Foeteren in de file dus, en het eerste deel van de passage van Herbert Blomstedt en de Wiener Philharmoniker in BOZAR missen.

Niet zomaar een eerste deel trouwens, want met werk van Franz Berwald maakte het orkest een duik in repertoire dat niet vaak op de affiches staat. Grote orkesten zoals Wenens meest vermaarde leven immers van de geijkte canon. Dirigenten zijn bovendien niet altijd happig om risico’s te nemen, te meer omdat een deel van het publiek met kritische dan wel ongeïnteresseerde oren naar minder opgevoerde muziek luistert. Blomstedt, inmiddels de negentig voorbij, weet echter dat het er voor hem bijna op zit. Waarom dan nog netjes in de pas lopen? Of, anders gezegd: waarom geen werk van een in Europa quasi vergeten landgenoot brengen?

Die iemand is dus Franz Berwald, en volgens Blomstedt verdient hij een plaats naast de grote namen aan het firmament. Of in die opinie enig chauvinisme geslopen is? Wie zal het zeggen. Niettemin geeft Blomstedt een belangrijk signaal door zich niet in de burcht van het gevestigde repertoire terug te trekken. Voor orkesten, zelfs diegene die onder internationale belangstelling worden gevolgd, zou het een hint moeten zijn om meer in hedendaagse en andere muziek te investeren. Zonde dus, dat een calamiteit op de E40 een streep door de ontdekking van Berwalds zogenaamde magnum opus trok. Met Dvořáks zevende na de onderbreking bleef er evenwel genoeg te genieten over.

Het opus 70 van de Tsjechische componist is allicht zijn meest donkere symfonie. Wat de kwaliteit betreft kan het melodisch materiaal perfect naast de veel beroemdere negende staan. Blomstedt gaf daar blijk van met een lezing die als een lichtend schijnsel door de melancholieke en rusteloze registers heen schemerde. Anders dan menig hedendaags dirigent maakt de negentiger de partituur niet groter dan ze is. Blomstedt groef met andere woorden niet naar spanning voorbij de noten, maar naar de waarde en de waarheid van de noten zelf. Dat leverde een wat aftastende eerste beweging op waarin het orkest nog haar routine moest vinden, maar vanaf de tweede beweging werd de ervaring ronduit extatisch.

Hoewel het een cliché is dat steeds weer opduikt wanneer de Wiener Philharmoniker ter sprake komt, maakten de strijkers hun reputatie ook nu weer waar: vinnig, genereus, volumineus en warmbloedig bleken ze alles te bezitten wat een strijkerssectie zou moeten hebben. Of het individueel talent dan wel het magnifieke instrumentarium het geheim van zoveel klasse vormt, doet er niet toe voor wie zich gewoonweg door de muzikale gloed laat overweldigen.

Ook qua houtblazers doen weinig orkesten trouwens even goed, laat staan beter. Fluitiste Karin Bonelli werd met een resem loepzuivere, zinnelijk-poëtische interventies de blikvanger van de avond. En concertmeester Albena Danailova veegde elk wantrouwen omtrent de vervrouwelijking van het mannenbastion charismatisch van tafel. Zij was het immers die Blomstedts intellectuele coherentie vertaalde naar technische samenhang.

Met kleine ingrepen wist de Zweedse dirigent door te dringen tot het hart van Dvořáks schriftuur. Geen wankelend tempo in het derde deel, wel integendeel. Dat leverde, in combinatie met het maximaal benutten van de diepte van de snaar, een ronduit elektriserend resultaat op. Geraffineerde fraseringen stegen dan weer als troef uit het tweede deel op, terwijl de finale vooral omwille van de tomeloze energie en het positieve culmineren van de sokken blies. Kan tot vreugde geconsolideerd verdriet ooit meer vertederen?

Misschien onder de vorm van Strauss’ ‘Kaiser Walzer’, dat als komische orgelpunt mocht dienen? Niet naar de zin van de snobs, maar dat zij dan maar zo. Ook dit miniatuurtje dirigeerde Blomstedt nota bene helemaal uit het hoofd. Is dat nou de resultante van een leven lang Zweedse puzzels?

Copyright foto: Martin U.K. Lengemann