TAZ#2018

Het theater als vrijplaats

728 voorstellingen, meer dan 50 locaties en vermoedelijk rond de 150.000 bezoekers: wie de voorbije tien dagen in Oostende neerstreek, kon niet om Theater Aan Zee heen. Onder de artistieke visie van Barbara Raes kwamen ‘het leven met de dood’ en 'rituelen' als thema’s centraal te staan. De curatrice liet makers bovendien de plaats van het theater binnen onze samenleving in vraag stellen. Ongebruikelijke formats zoals een rechtszaak tegen de dood, workshops en lezingen, eendagscreaties en documentaires waren daarbij niet louter schaalverbredende middelen, maar probeerden integendeel van het theater opnieuw een vrijplaats te maken voor een dissectie van existentiële thema’s, ingebed in de geglobaliseerde context waarbinnen onze samenleving zich vandaag situeert. Alleen al een duik in de laatste festivaldag illustreert dat treffend.

Eén, twee, drie: niets. Als geen ander wist de Russische dichter en schrijver Daniil Charms doorheen het eerste deel van de twintigste eeuw een van betekenis verstoken bestaan te portretteren. Banale anekdotes, verhalen die een aanvang nemen en plots eindigen, laconieke parabels, wetenschappelijke paradigma’s die binnenstebuiten worden gekeerd, enzovoort: in al hun absurditeit tonen Charms’ schrijfsels mensen die proberen optornen tegen een gesternte waar ze geen impact op hebben. De eerste monoloog van ‘Conversations (at the end of the world)’, waarin de schrijver als schepper van het verhaal onder een roes van vodka het vernis van de verbeelding afschraapt tot er slechts leegte overblijft, zet meteen de teneur: in al zijn nietigheid kan de mens zelfs via het escapistische van de kunst niets verwezenlijken, maar het proberen is te beschouwen als een humanistische akte waarin de mens zichzelf bevrijdt van de lonkende ledigheid.

Tegelijk mistroostig en troostgevend is Charms’ proza uniek in zijn soort. Vanzelfsprekend is het niet evident een reeks sketchmatige scènes van deze auteur daadwerkelijk op scène te brengen. Kris Verdonck vond met ‘Conversations (at the end of the world)’ echter de juiste toon. Hij zet vijf figuren op de bühne die met de moed der wanhoop vasthouden aan hun ideeën en ervaringen, hoe onbeduidend die ook zijn. En behalve de quasi heroïsche betrachting van zingeving biedt ook schoonheid soelaas. Het spreekwoordelijke stof der aarde dat op de personages neerdaalt om hen in vergetelheid te hullen, is misschien een cliché, maar er spreekt een grote tederheid uit. Finaal spoelt deze zogezegde regen de personages weg, waarna ze niet eens terugkeren om te groeten. Hun moment, hun vonk is geweest. En tegelijk blijven ze bij, de mensen die volgens Charms’ bewoordingen springlevend zijn in het verleden, evenals de beelden die de vergankelijkheid prachtig verzinnebeelden.

Toch is ‘Conversations (at the end of the world)’ geen perfecte voorstelling. Verdonck hanteert een extreem traag tempo om het publiek te doordringen van de futiliteit van ‘tijd’ en ‘zijn’. Verdienstelijk daarbij is dat inhoud, tekst, vorm en ritme schitterend op elkaar afgestemd geraken, maar het prikkelarme theater verliest gaandeweg een deel van zijn hypnotiserende intensiteit. Daar zit ook de muziek voor iets tussen, want pianist Marino Formenti zet onder meer Bach en Ravel wel erg demonstratief naar zijn hand. Diens hyperbolische transformaties staan haaks op de intimiteit van de andere theatrale parameters. Dat neemt niet weg dat de voorstelling een diepe indruk nalaat, althans voor wie mentaal kan onthaasten en het efficiëntiedenken dat ons bestaan meer en meer koloniseert terzijde kan schuiven.

Verder was op de slotdag ‘Das Kongo Tribunal’ te zien, een documentaire van Milo Rau over de moorden en het sociaal onrecht in de directe omgeving van de Congolese mijnen. Rau richtte daarvoor een tribunaal in, weliswaar zonder juridische legitimiteit. Rau benadrukt, wanneer hij zijn opzet toelicht op een lokale radiozender, dat het zijn wens is om de stem te laten horen van alle betrokken partijen. Mandela’s waarheidscommissie indachtig, streeft ook Rau onder het motto ‘truth and justice’ in de eerste plaats naar het zo nauwgezet mogelijk documenteren van de verschillende perspectieven op de feiten. Tijdens de documentaire herinnert hij bovendien expliciet aan het ‘fictieve’ (lees: theatrale) opzet van het tribunaal, door luidop af te bakenen wanneer het filmen van start gaat.

Er zijn geen personages en er wordt geen informatie verzonnen: in die zin is er niets ‘fictief’ aan het tribunaal, behalve dat de context van de internationale rechtspraak ontbreekt. Dat laatste maakt dat Rau inderdaad alle betrokkenen kon afvaardigen: van vertegenwoordigers van getroffen lokale gemeenschappen over journalisten en mensenrechtenactivisten tot hoge functionarissen uit de industrie en de politiek. Ontluisterend is het moment waarop een minister zich tijdens een verhoor afvraagt wie de Congolese staat iets ten laste legt en welke wet dat eigenlijk toelaat. Ook een aanwezige gouverneur maakt manifest dat de zogenaamd democratische republiek Congo grenzen stelt aan de democratie: een corrupte toplaag ontspringt de dans systematisch. Rau legt de pijnpunten echter secuur bloot, aan de hand van zowel anekdotische getuigenissen als grondig veldwerk.

Het verdict is weliswaar genuanceerder, want de hoogste machthebbers in Congo handelen niet in een vacuüm. Zowel de VN, de wereldbank als de grote industriële spelers (de VS, China en Europa) hebben een verantwoordelijkheid wanneer het om het afnemen van zogenaamde ‘conflict minerals’ gaat. Congo’s grondstoffen massaal invoeren en tegelijk wegkijken van de omstandigheden waarin zij worden ontgonnen, is uiteraard laakbaar. Te meer in de wetenschap dat de EU een land als Congo onder druk zet om de toevoer op peil te houden. De balans tussen ethiek en economie slaat kortom compleet door in de richting van dat laatste. Zodoende werden in het Berlijnse tribunaal de Europese Unie en de Wereldbank tot de orde geroepen.

Rau predikt een geëngageerd theater, maar is het aan theatermakers om documentair werk te leveren? Moet de kunst niet een laboratorium zijn, een ruimte voor verbeelding, veel meer dan een journalistiek instituut? Een dergelijke tweedeling wordt in ‘Das Kongo Tribunal’ als onjuist afgedaan. De theatermaker doet immers wat hij moet doen: verhalen laten horen, de onderdrukten een stem geven. Hij gebruikt daarvoor bovendien de middelen die hem ter beschikking staan: de verbeelding (een tribunaal dat geen tribunaal is), via dewelke de werkelijkheid onder de loep wordt genomen. Het is ongewoon dat een kunstenaar zich zo verdiept in de realiteit, maar die verdieping heeft de vrijgeleide van de kunst nu eenmaal nodig om te kunnen ontstaan en bestaan, en om tot een louterende getuigenis van immens veel leed te kunnen komen. ‘Das Kongo Tribunal’ is geen theater, maar het kan alleen ontstaan dankzij de wetten ervan. Dat de film zijn plaats op de affiche van TAZ 2018 heeft verdiend, moge duidelijk zijn.

Copyright afbeeldingen ‘Conversations (at the end of the world)’: Kristof Vrancken (1-2) & Kurt Van der Elst (3 t.e.m. 7)