Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin & Frank Strobel, ‘Berlin. Die Sinfonie der Großstadt’

De moderniteit geïncorporeerd

Hoe moet een orkest nog zien te overleven in een stad waar de Berliner Philharmoniker en de Staatskapelle Berlin de plak zwaaien? En heeft Berlijn überhaupt een derde orkest nodig? Op die laatste vraag is het antwoord eenvoudiger dan op die eerste. Immers, jazeker: muziek kan er nooit genoeg zijn, toch? Maar om zich naast twee mastodonten met zo'n traditie als voornoemde orkesten – het evenzeer niet onbelangrijke Konzerthausorchester dan nog buiten beschouwing latend – staande te houden en een publiek te vinden: gemakkelijk kan het niet zijn.

Het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin verdrinkt echter niet in de metropool waar ze thuis is. En wel onder meer dankzij een programmatie die de gaten vult, een agenda die oog heeft voor de kansen die de collega-orkesten laten liggen. Een concertante uitvoering van bijna al Wagners opera's was bijvoorbeeld een idee waar chefdirigent Marek Janowski een paar jaar terug mee zijn schouders onder zette. Een filmconcert rondom Walter Ruttmanns legendarische (experimentele) documentaire ‘Berlin. Die Sinfonie der Großstadt’ (1927) dateert bovendien van iets langer geleden, maar wordt nog steeds hernomen. En dat lang niet voor lege zalen.

Filmmuziek is een laagdrempelige opstap naar de concertzaal. En als dat de manier is om als orkest een publiek warm te maken voor wat je te bieden hebt, dan waarom niet? Warm lieten de in de Admiralspalast opgedaagde cinefielen zich in ieder geval maken. Eerst door Arthur Honnegers 'Pacific 231', een soort orkestrale liefdesverklaring aan een voorvader van wat we vandaag trein noemen. Op beelden van de in 1949 in Cannes bekroonde gelijknamige kortfilm van Jean Mitry, werd ook de partituur meer dan een pittoreske illustratie van de kennismaking met, de versnelling van, de topsnelheid van en het uitbollen van het betreffende vaartuig.

Mitry's kortfilm toont hoezeer de cinema van voor de jaren '50 nog expliciet aansluiting vindt bij de figuratieve schilderkunst. Het beeld wordt voortdurend gestuurd zodanig dat die opnieuw naar abstractie neigt, de blik wordt in vraag gesteld en het reële kijken wordt een kunstmatig (kunst-matig) zien. Honeggers partituur laat zich analoog met de film beluisteren als een metafoor voor de manier waarop mechaniek (typisch gerepresenteerd door de parameter ritme) en dynamiek (het leven als melodie) kunnen samenkomen. Een opzienbarende ontdekking is Honeggers werk daarom nog niet, maar het laat zich in ieder geval aanhoren als meer dan een profetie van wat we vandaag als iets alledaags kennen – wat een nogal banale aangelegenheid zou zijn voor de concertganger.

Alledaags is Ruttmanns film ‘Berlin. Die Sinfonie der Großstadt’ onder geen beding. De strakke, soms hyperkinetische montage is vandaag uit de mode, maar ook hier getuigt de cinematografie van een omgaan met film op een meta-niveau, daar waar regisseurs vandaag vooral lijken te ambiëren zoveel mogelijk mensen op hun wenken te bedienen. Een symfonie van een stad denken te kunnen ensceneren, getuigt vanzelfsprekend van een pak zelfvertrouwen. Voor zijn tijd is de ruim een uur durende impressie van de vele gezichten van Berlijn echter een geslaagd werkstuk te noemen. Niet alleen registreert en monteert Ruttmann met humor, ook filosofisch zit er wat in. Zo sluipt in elk van de vijf akten de moderniteit binnen - niet schoorvoetend, maar in vol ornaat.

Doorheen de 19e eeuwse oudbolligheid laat de cineast voortdurend het ritme, het onpersoonlijk-gemechaniseerde zien van een nieuwe tijd. Een tijd waar de filmmaker rotsvast in lijkt te geloven, hoewel het optimisme soms dubbelzinnig aandoet. Jong en oud, werk en vrije tijd, te voet of met de S-Bahn, dag en nacht: aan contrasten geen gebrek. Ze worden behendig tegen elkaar uitgespeeld, of juist harmonisch verbonden. Toch is ‘Die Sinfonie der Großstadt’ niet symfonisch genoeg. Op heden althans niet meer. Zonder narratief, zonder duidelijke lijn, zonder overkoepelende architectuur gaat het vooral om een tijdsdocument. En daar komt nu eenmaal slijt op.

Zo ook op de muziek, trouwens. Componist Edmund Meisel wordt nochtans vaak om zijn partituur geroemd, maar als soundtrack heeft die quasi geen identiteit op zichzelf. Haar demonstratiezucht is op den duur bijna vermoeiend, hoewel de ettelijke humoristische passages het werk voldoende doorluchten. De treinfluitjes en het vele slagwerk zijn echter bijlange niet meer modern. De ironie heeft anders gezegd toegeslagen: de elementen die Meisels werk eens hedendaags hebben gemaakt, geven het vandaag de stempel der ouderdom.

Dirigent Frank Strobel heeft desalniettemin oprechte liefde opgevat voor deze muziek, waarvan hij de effecten onbesuisd de zaal in kegelt. Het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin laat zich daarenboven graag op sleeptouw nemen, hoewel het hier en daar de luciditeit mist om de originele score echt tot leven te wekken. Belangrijker is echter dat het orkest door te doen wat het doet een erfgoed vitaal houdt, ook als dat in bepaalde kringen te min heet te zijn. Dat er een enthousiast publiek voor is, is het enige weerwoord dat de sceptici zouden moeten krijgen.

Berlijn, de grootstad, leeft. Haar orkesten evenzo.

Copyright foto: Kai Bienert