JR, het theater als polyfonie

Kunst en kapitalisme: een onmogelijk verbond?

Een jonge componist en een tiener die zich ontpopt tot koning van Wall Street: samen luisteren ze aan het slot van ‘JR’, een vier uur durende theatermarathon waarmee FC Bergman de grens tussen theater en cinema doet vervagen, naar Bach. 'Immateriële activa', zo noemt Oscar Van Rompay deze hartroerende fractie muziekgeschiedenis. Het kind dat naar de naam JR luistert, hoort echter slechts stemmen die op- en neergaan. Met andere woorden: hij hoort noten, niet de muziek achter de noten. Het is tekenend voor zijn tekort, en bij uitbreiding misschien zelfs exemplarisch voor het tekort van diegenen die de plak zwaaien in het hart van het kapitalisme: ze ontberen menselijkheid.

De componist genaamd Edward Bast wordt gedagvaard door de aandeelhouders van een bedrijf dat hij als stroman voor de achter de schermen opererende JR moest besturen, en kijkt bijgevolg aan tegen een gevangenisstraf. JR, die ondertussen pensioenfondsen heeft leeggeplunderd en bedrijven heeft doen afslanken tot de werknemers zelf ontslag namen - hoera, alweer een ontslagvergoeding minder! - blijkt evenwel onaantastbaar. Zijn kapitaal creëert een juridisch en moreel vacuüm waarin het financiële spel werkelijk verwordt tot ‘spel’. Het kinderlijke universum, waarin de notie van goed en kwaad nog moet ontwaken, is een fantastische metafoor voor een liberaal denken dat elke gewetensvraag principieel uit de weg gaat. Als de beurs inderdaad een soort casino is, waarom zou men er dan aan ethiek moeten doen? Iedereen kan toch gewoon meespelen?

Wanneer JR vanuit de ivoren toren van het bedrijfsleven ten slotte beslist een bancaire instelling op te kopen, is het zedelijke bankroet overigens compleet. Als het onderscheid tussen de industrie, de kredietinstellingen en het machtsinstituut ophoudt te bestaan, wie bewaakt dan nog dat de gewone mens geen slachtoffer wordt van een hebzucht die alleen maar gehoorzaamt aan de retoriek van haar inherent onstilbare karakter? Tot zover het apocalyptische orgelpunt van de overdonderde theatermarathon die ‘JR’ is.

In de finale stelt zich daarenboven de vraag hoe kunst in een wereld ten prooi aan geld kan aarden. Bast weet het niet, zoveel is duidelijk. Hij staat op het punt om zijn oeuvre te vernietigen, maar bedenkt zich. Zijn partituren zijn zijn creativiteit, het ‘onnuttige’ en ‘onbruikbare’ (althans in makelaarstermen) dat raakt aan zijn meest elementaire zelf. Kortom, ze zijn zijn identiteit. Dat hij niets meer bezit behalve dit bewijs van zijn kwetsbare en voor ontroering ontvankelijke menselijkheid is meteen ook de reden om zijn zogezegd zinloze repertoire te omarmen. Is het antwoord op de vraag hoe kunst zich kan verhouden tot een samenleving die door een ongebreideld kapitalisme in de greep wordt gehouden daarmee echter gegeven? Niet bepaald.

William Gaddis lijkt er in zijn ruim vier decennia oude roman alleszins een pessimistische visie op na te houden: kunst is hooguit een pleister op een wonde die een wreedaardig systeem heeft veroorzaakt. Thomas Verstraeten, een van de regisseurs, laat echter optekenen dat het niet aan kunstenaars is om vandaag op de barricades te gaan staan. 'Het kapitalisme is geen vreselijk monster, maar een realiteit waarmee we moeten omgaan', klinkt het. Nochtans laat de plot van ‘JR’ zien hoe het systeem de ondergang betekent van menig personage. Zo is het geen toeval dat Rhoda aan de drugs geraakt nadat ze haar modellencarrière heeft moeten opbergen, omdat men haar in de realisatie van haar droom meer als lustobject zag dan als individu. Tom Eigen verliest zich in een oneigenlijk verlangen naar erkenning en succes: na zijn afstompende uren op kantoor teert hij als kunstenaar op andermans talent. Jack Gibbs, die een oorspronkelijke artisticiteit in zichzelf probeert te ontplooien, valt dan weer ten prooi aan alcohol vanuit het inzicht dat eigenbelang het leidende principe is in een samenleving die hem onnoemelijk vreemd voorkomt. En wat te denken van Stella Angel, een vrouw die zichzelf al prostituerend ten gronde richt vanuit een onbevredigbare machtshonger?

Er zit te veel realiteit in ‘JR’ om de tekst niet als aanklacht te lezen. Monty Moncrief die het van bedrijfsleider tot Minister van Handel schopt en ondertussen enkele familieleden benoemt als hoofd van zijn bedrijven: hallo, Donald Trump? Verder worden er aandelen gedumpt om diezelfde aandelen na een paniekerige reactie op de beurs goedkoper terug te kopen. En er is natuurlijk nog JR zelf, die pertinent weigert de mensen achter de cijfers en de implicaties van zijn gespeculeer onder ogen te zien. In neoliberale tijden is dit alles schering en inslag geworden. Gaddis heeft het op visionaire voorspeld.

Vraag blijft of de auteur in zijn roman onderzoekt hoe we met het kapitalisme moeten omgaan. Toont ‘JR’ niet veeleer dat er geen gezonde verhouding bestaat ten overstaan van het huidige economische systeem, en dat de kunst bij uitstek het instrument is dat kan en misschien zelfs moet aantonen hoe weinig compatibel kunst en kapitalisme zijn? Frappant is alleszins dat ‘JR’ in Gent neerstrijkt enkele weken nadat Milo Rau als nieuwe artistieke leider bij NTGent zijn toekomstplannen voor het huis wereldkundig heeft gemaakt. Voor Rau moet kunst politiek en activistisch zijn. Preludeert ‘JR’ kortom niet schitterend op diens manifest voor de komende jaren, ook al hadden de makers van de voorstelling naar verluidt een neutraal standpunt voor ogen?

Als opvoering overweldigt ‘JR’ niet alleen vanwege de inhoudelijke rijkdom, want de productie zit van naaldje tot draadje ingenieus in elkaar. Als muzikale introductie wordt bijvoorbeeld niet zomaar voor ‘Das Rheingold’ gekozen. Evident is de link tussen het Rijngoud, dat na een half etmaal opera de teloorgang van de gevestigde orde zal inluiden, en een massa verslaafd aan centen. Tegelijk staat Wagners ‘Der Ring des Nibelungen’ symbool voor het soort gesamtkunst waaraan ook ‘JR’ gestalte probeert te geven: een totaalconcept waarbinnen theater, tekst en in dit geval cinema elkaar in onderlinge gelijkwaardigheid optillen. Wanneer het gelijkvloers van het vier verdiepingen tellende decor na de pauze uit elkaar wordt gehaald, ziet het publiek dat daar waar de fundering zou moeten zijn een gapende leegte ontstaat. Is deze leemte een consequentie van het systeem zelf? Ondergraaft het ultraliberale model zoals het zich nu in de praktijk manifesteert per definitie haar eigen wortels, en is elke beurscrash slechts een voorbode van de volgende zolang de spelregels niet grondig worden hertekend?

Vormelijk en dramaturgisch zit 'JR' zodanig in elkaar dat het inhoudelijke discours er enorm door verrijkt wordt. Verder werden de indrukwekkende scenografie en de schitterende cameravoering reeds in diverse media geprezen. Helemaal terecht, hoewel bij het idioom van de cast een kanttekening gemaakt moet worden. Het lijkt namelijk alsof het register van de acteurs zich afmeet aan de monumentaliteit van de creatie in zijn totaliteit. Zelden wordt er bijvoorbeeld vanuit een intieme gesteldheid vertolkt. Nochtans kan het publiek alles volgen op groot scherm. Waarom moeten CEO’s, alcoholici, drugsverslaafden, moordgrieten, het mecenaat en andere archetypes dan larger than life gepresenteerd worden? Gene Bervoets brult zich te pletter, Geert Van Rampelberg gaat voluit voor de overdrijving en Kes Bakker wordt als intuïtief denker een onverstaanbaar snel pratende karikatuur van zichzelf. Dergelijke hyperbolen proberen lichtheid toe te voegen aan de zwaarte van de plot, maar ze wekken vooral een gevoel van vermoeidheid bij het publiek.

Alles opgeteld is ‘JR’ een overweldigende theatermarathon. De wedijver van een resem acteurs die per se de meest exuberante rol willen neerzetten, doet echter afbreuk aan de subtiliteit waarmee Gaddis grote vragen aansnijdt in een geraffineerde, humoristische stijl. Anders gezegd is de bewerking van FC Bergman een metamorfose van literaire parodie naar theatrale travestie. Mag toneel, hoe groots ook het opzet, nog een klankkast zijn voor menselijke kleinheid?

Copyright foto's: Kurt Van der Elst