Jazz Middelheim 2018: de reviews (dag 1)

Het ongelijk van de thuisblijvers

Archie Shepp, Fred Hersch, Brussels Jazz Orchestra en nog een rits andere grote namen: naar aloude gewoonte biedt Jazz Middelheim ook dit jaar een podium aan wat gemiddeld gesproken onder de noemer ‘jazz’ wordt verstaan. Weliswaar woedt er onder liefhebbers van het genre sinds ongeveer een decennium een discussie over de vraag of het festival niet te commercieel programmeert, en ook nu weer hebben puristen voer voor discussie. Hoort een project als Jazz Loves Disney thuis op een festival dat zowat alle iconen heeft mogen ontvangen?

Ook de openingsdag zou trouwens ten prooi kunnen vallen aan sceptici. Een hiphopduo dat zichzelf met een funky toets wil heruitvinden? Nordmanns excursie richting rock? De fusionachtige epiek van Kamasi Washington? De eclectische anarchie van TaxiWars? Wie jazz graag begrijpt als een genre dat aan vaste wetmatigheden voldoet, liet de aftrap van de vierdaagse deze keer beter aan zich voorbij gaan. De vraag rijst echter of het genre nog een toekomst heeft als de stijlkenmerken niet verrijkt mogen worden met die van andere genres. Vallen de concepten ‘vooruitgang’ en ‘vernieuwing’ in de 21ste eeuw niet eerder samen met een kruisbestuiving dan met de rebellie van die hard avant-garde?

Met Bram Weijters’ Crazy Men als startschot kreeg het publiek meteen een geherdefinieerd verleden te horen. Gegrondvest in de zeventiger jaren maar gestalte gegeven vanuit een postmodernistische wijsheid die durft refereren naar verschillende bands uit het verleden, was het concert dankzij subtiele ingrepen van een unaniem uitstekende bezetting een prettige opwarmer. In de vorm van Steiger, een trio dat volgende maand debuteert met de fel geanticipeerde plaat ‘Give space’, liet Park den Brandt zich vervolgens inpalmen met een geluid dat eigenzinnig en vernieuwend aandoet. Na het winnen van Jong Jazztalent Gent zag het drietal een droom in vervulling gaan: nummers opnemen op verschillende in- en outdoor locaties, waarbij die nummers specifiek voor de betreffende locatie geconcipieerd werden.

Wat opnametechnisch een logistieke nachtmerrie moet zijn geweest, blijkt live alvast uitstekend te werken. Aan de hand van visuals waarin montagekunst en animatie elkaars effect versterken, krijgt het publiek de locaties effectief te zien. Toch is het vooral via de klank dat deze specifieke contexten gestalte krijgen, want via digitale ingrepen evoceert het trio de geluiden van een boot, een hal, een kapel en ga zo maar door. De ruimtelijke ervaring is evenwel niet louter akoestisch van aard, want ze ontvouwt zich ook compositorisch. Het samenspel ontwikkelt zich met andere woorden zodanig, dat de oren van de toehoorders de aanwezigheid en het bepalende karakter van de architectuur of infrastructuur kunnen aftasten.

Niet zelden mondt een zoekende fase om die reden uit in een tutti waarin de intimiteit plaats ruimt voor de volle consonantie van de betreffende plek. Dat de afzonderlijke nummers daarnaast nog eens een eigen discours volgen en niet louter ter illustratie zijn bedoeld, is veelzeggend voor de kwaliteit van dit jonge ensemble. Hoewel de beslotenheid van een concertzaal zowel de visuele input als de intuïtieve verstandhouding tussen de toetsen van Gilles Vandecaveye-Pinoy, de contrabas van Kobe Boon en de drums van Simon Raman ongetwijfeld nog beter tot hun recht zal laten komen, was dit concert meteen een eerste hoogtepunt van deze festivaleditie.

Wat TaxiWars en Kamasi Washington zouden opleveren, stond in de sterren geschreven. Tom Barman tekende binnen die eerste band voor zijn gebruikelijke rol als energieke ceremoniemeester, waarbij Robin Verheyen, Nicolas Thys en Antoine Pierre vakkundig de klus klaarden. De sound was eigenzinnig, de synergie tussen stem en instrumentale grooves aanstekelijk, maar avontuurlijk werd het concert nooit. Nog voor halfweg hadden de musici hun troeven uitgespeeld, en bij Kamasi Washington was dat zelfs al het geval tijdens het eerste nummer. Als een slap aftreksel van zijn vorige passages in ons land liet de bandleider annex sjamaan nog maar eens zijn vader en een resem matige solisten op het publiek los. Het lijkt er zelfs op dat Washington van het spirituele en geëngageerde, ooit zijn stokpaardjes, ondertussen commerciële kitsch heeft laten maken. Gelooft hij zelf nog in wat hij propageert, nu de roem haar tol begint te eisen?

Niets van dat soort pronkerigheid op het alternatieve podium, waar Dijf Sanders integendeel uit de losse pols een oproep lanceerde om minder te consumeren. Naast nog wat ongein had de toetsenist in gezelschap van saxofonist Mattias De Craene bezwerend-groovende muziek in petto, origineel en pretentieloos. Ook nu weer was het kortom de club stage waar de programmatie elk formulematig aspect oversteeg. Dat gold ook voor MDC III, een trio rond diezelfde De Craene, vergezeld van twee drummers. De band leverde atmosferische, soundscapeachtige spinsels af, gestuwd vanuit gelaagde percussiepartijen waar de saxofonist echter niet altijd voldoende evoluerende lijnen tegenover kon plaatsen.

Het hoofdpodium werd ten slotte afgesloten door Black Star, het samenwerkingsverband tussen Yasiin Bey (Mos Def) en Talib Kweli. Badend in een geur van zweet en joints lieten de fans zich eerst trakteren op een hyperkinetische dj-set met een best of uit het oeuvre van het duo, maar na een kwartier sloeg de blijde verwachting reeds om in verveling. Bey en Kweli lieten vervolgens nog ruim een kwartier op zich wachten, om eerst in duo en nadien in gezelschap van het Hypnotic Brass Ensemble zogezegd snedig rapwerk op Park den Brandt los te laten. De musici deden waar ze voor gekomen waren: Park den Brandt luid en voor de vuist weg oppompen. Was het doel van de onpersoonlijke arrangementen vooral om de tekst niet in de weg te zitten? De muzikale stereotypen deden het vermoeden. Kweli, die er twintig jaar na de release van ‘Black star’ nog steeds staat, wist zich wel blijf met de ruimt die hij kreeg, maar Bey bleek de tand des tijds minder goed te hebben doorstaan. Zijn belabberde dictie haalde het laatste vonkje vuur uit een sowieso al sputterende set. Waarom als mannen op leeftijd de jonkies van weleer proberen te zijn? Waren zowel de muzikanten als het publiek niet toe aan een Black Star 2.0?

Voorspelbaar lekkers en vergane glorie domineerden het hoofdpodium. De huismussen die dachten dat ze dankzij Klara het beste van Jazz Middelheim vanuit hun zetel konden meemaken, zaten er alleszins lelijk naast, want de ware revelaties deden zich voor in de kleinere clubtent. Hoog tijd dat de VRT ook daar enkele microfoons neerpoot!

Copyright foto’s: Bruno Bollaert