In de weegschaal: de zesde symfonie van Gustav Mahler

Overal waarheid, nergens de waarheid

Hoe neem je als dirigent afscheid van een orkest waar je ruim anderhalf decennium mee hebt samengewerkt? Het voor de hand liggende antwoord luidt: met een prestigieus project, zoals een integrale symfonieëncyclus die nog jaren blijft nazinderen bij het publiek. Zeker in het geval van Sir Simon Rattle, die afgelopen seizoen afzwaaide bij de Berliner Philharmoniker, lag een dergelijk vaarwel voor de hand. Na luxueus uitgegeven boxen met het symfonische repertoire van Schumann, Beethoven en Sibelius, bleven er immers genoeg opties open om zich mee te profileren. Toch trok Sir Rattle een andere kaart. Het discografische orgelpunt van zijn residentie in Berlijn werd immers min noch meer dan een synthese van zijn ontmoeting met het orkest.

De alweer in langwerpig formaat uitgegeven dubbelaar die bij het label van een van ’s werelds meest spraakmakende orkesten werd uitgegeven, bevat zowel het eerste als het laatste concert dat Sir Rattle aan het hoofd van de Berliner Philharmoniker dirigeerde. Met op de agenda: twee keer hetzelfde werk. Mahlers zesde symfonie als start- én als eindpunt. Wat bedoelt Sir Rattle echter met een dergelijke geste? Eerst en vooral dat elk einde relatief is. Zijn uitvoering van Mahlers zogenaamde ‘Tragische’ mocht dan wel een zwanenzang zijn in de officiële hoedanigheid van chef-dirigent, zonder twijfel zal de Brit nog terugkeren naar Duitslands hoofdstad. Waarom dan zoveel poeha over een afscheid, als er toch nog een vervolg zit aan te komen? Ten tweede is Mahler natuurlijk een componist die Sir Rattle na aan het hart ligt. Al vroeg had de dirigent namelijk het gevoel zich met diens al te vaak artificieel opgepompte oeuvre te kunnen onderscheiden; niet met effecten, maar met loepzuivere muzikale inhoud. Ten derde vatte die andere recente box-uitgave ‘The Asia Tour’ eigenlijk al samen wat Sir Rattle de voorbije jaren aan het hoofd van de Berliner Philharmoniker verwezenlijkt heeft, met nadruk op 20e-eeuws repertoire, een verbreding van het publiek en tevens een openheid naar de wereld van vandaag de dag.

Waarom dan toch een schijfje om mee af te zwaaien? Welnu, deze dubbele cd-opname laat zien hoezeer Sir Rattle als uitvoerder geëvolueerd is, en het orkest met hem. Zo hoor je een minutieus geconcipieerde eerste uitvoering anno 1987, van een ambitieuze jongeman die nog alles te bewijzen heeft. In vergelijking is zijn lezing ruim dertig jaar later veel soepeler, waarbij van de hypercomplexe schriftuur vooral de naturel en het impulsieve boven komt drijven. Niettemin ontspruiten beide interpretaties duidelijk aan hetzelfde brein, want steeds staat transparantie in het orkestgeluid – en via een doorzichtige orkesttextuur ook zin voor detail – op de voorgrond. Groot gevoel evoceert Sir Rattle zonder de pathetiek van gekruide frasering of gespijsde ritmes: het is de partituur zelf die de emotie construeert, kortom de ervaring is bij uitstek muzikaal. En dat in een werk dat al te vaak met interpretatieve extremen is overladen: hoed af voor zo’n authentieke aanpak. Een authenticiteit die zich overigens uit de begeleidende documentaire ‘Echoing an Era: Simon Rattle and the Berliner Philharmoniker’ prachtig laat afleiden.

Gevoel via raffinement, aangevuld met een no-nonsense aanpak en de durf om accenten te leggen: het zou de artistieke blauwdruk kunnen heten van Sir Rattle’s nalatenschap bij zowel het City of Birmingham Orchestra, waar hij voor zijn aanstelling op het Europese vasteland een vaste stek had, als bij de Berliner Philharmoniker. Aan de hand van deze dubbelaar hoort men deze conceptuele leidraad, zeg maar het paradepaardje dat Sir Rattle’s stijl uitmaakt, in een soort genese: van een embryonale fase, een aftastend zoeken dus, naar een gearriveerd zijn, zonder daarom alle vraagtekens door uitroepingstekens te vervangen. Dat is immers de essentie van Sir Rattle’s blijvende aantrekkingskracht op internationale toporkesten: nooit is hij iemand geworden die waarheden tracht tot bij het publiek te brengen. Zijn waarheid is die van de ontroering, en hij is meer dan verstandig genoeg om te weten dat tal van wegen naar alternatieve waarheden met eenzelfde gevoelsmatige impact kunnen leiden. Neem bijvoorbeeld de opname van Teodor Currentzis, die met zijn MusicAeterna vorig jaar een behoorlijk omstreden interpretatie inblikte.

Even terugspoelen naar Currentzis’ eerdere discografie, om zijn statuut van enfant terrible in de wereld van de klassieke muziek te kunnen begrijpen. Hij kleedde Rameau helemaal uit, hij raasde door Tchaikovsky, hij wroette Mozart open: geen partituur werd hem in handen gestopt of hij deed er iets eigenzinnig mee. Eigengereid, niet altijd dicht bij de notatie op de partituur, maar wel – althans volgens de dirigent zelf – dicht bij wat de componisten vandaag als esthetisch ideaal voor ogen zouden gehad hebben. Zijn middel daartoe komt neer op zowat alles wat Sir Rattle niet doet: extremen systematisch opzoeken, dynamieken door de megafoon halen, ritmes herdenken. Het leverde Currentzis van meet af aan vrienden zowel als vijanden op, en dat is ruim een half decennium na zijn grote doorbraak nog niet veranderd. Ondanks veel tegenstand is hij een van de meest gevolgde artiesten binnen de klassieke muziek, omdat iedereen begrijpt dat hij iets probeert te vertolken dat uniek is, kortom hij heeft een stem die weigert zich te conformeren aan wat traditioneel voor ‘goede smaak’ doorgaat. Eindelijk een beeldenstormer aan het klassieke firmament!

Prostitueert Currentzis zich echter om zieltjes te winnen? Kwatongen beweren van wel, maar zelfs diegenen die een andere smaak zijn toegedaan, zouden beter moeten weten. Hij doet zijn eigen ding, en zet ook belangrijke stappen op opname-technisch vlak. Zo is zijn lezing van Mahlers zesde symfonie weer een modelstudie van hoe een orkest kan klinken: furieus in de tutti, zinnelijk in de soli, delicaat in de kamermuzikale intimiteit, brutaal in het grotere symfonische geweld. Bij uitstek is de bij Sony uitgebrachte release er een om met hoofdtelefoon te beluisteren, kwestie van het quasi geproducete geluid perfect tot zich te kunnen laten doordringen. Het contrast met Sir Rattle’s eerste uitvoering met de Berliner Philharmoniker kan moeilijk groter zijn, want die versie uit de jaren tachtig – nota bene een radio-opname – heeft toch wat te lijden onder een korrelige laag, waarbij zeker in de meer volgecomponeerde passages een geluidsbrij ontstaat.

Natuurlijk vraagt elk lezer zich nu af: welke editie is de beste? De waarheid is dat er geen ultieme waarheid bestaat, of nog: dat elk van deze lezingen tot een kern van Mahlers polymorfe schriftuur doordringt. Currentzis kroont zich tot keizer van het grote gebaar, hoewel hij ook in de meer verstilde passages weet te verwonderen. In vergelijking is Sir Rattle’s recente opname echter veel logischer, veel meer in lijn met de soepelheid van Mahlers Wunderhornstijl. Sir Rattle’s eerste uitvoering is dan weer wat intellectueler, zorgvuldig geconstrueerd en erg stijlvol. De waarheid zit ’m dus overal. En nergens. Goed nieuws, want zet dat besef de deur niet op een kier voor een volgende generatie?

Sir Simon Rattle & Berliner Philharmoniker



Score: ****
Bekijk hier een introductie tot de uitgave.
Lees hier meer over de opname.

Teodor Currentzis & MusicAeterna



Score: ****
Luister hier naar de eerste beweging uit de symfonie.
Lees hier meer over de opname.