Hoog bezoek in Antwerpen

De New York Philharmonic als voorbode van de symfonische wereldtop

De Koningin Elisabethzaal, tien dagen terug: Bart De Wever verzorgt het openingswoord bij een concert van het Koninklijk Concertgebouworkest, dat op uitnodiging van het privaat gefinancierde Cofena de enkele maanden geleden geopende concertzaal aandoet. De burgemeester huldigt het bestuur van de vzw omwille van de sterke programmatie, die sinds decennia een vaste waarde binnen het Antwerpse muziekleven is. In zijn speech oppert De Wever overigens dat Cofena’s nadruk op het klassieke repertoire lijnrecht tegenover de agenda van gesubsidieerde cultuurinstellingen staat, die volgens hem vooral een progressieve cultuurelite bedienen, wiens smaak door het traditionele publiek niet wordt gedeeld. Pardon? Wie de concertagenda’s van die bewuste instellingen de laatste jaren heeft gevolgd, hoort het donderen in Keulen.

Sinds jaar en dag biedt onder meer deSingel onderdak aan de beste orkesten in traditionele programma’s. Het Budapest Festival Orchestra en het Chamber Orchestra of Europe, alsook wereldvermaarde dirigenten waaronder Antonio Pappano en Yannick Nézet-Séguin: ze bewijzen dat de kunstcampus niet alleen kwaliteit hoog in het vaandel draagt, maar ook dat de artistieke leiding het geijkte repertoire het liefst aan gereputeerde uitvoerders toevertrouwt. Dat een private instelling zoals Cofena aan de op zich al fabuleuze programmatie van onder meer deSingel iets toe te voegen heeft, hoeft niet betwijfeld te worden. Suggereren dat de vzw een eenzame pleitbezorger is van de canon, is echter klinkklare onzin.

Bovendien is het onzinnig om te doen alsof modern en hedendaags klassiek niet bestaan. Zouden de componisten die vandaag door verstokte melomanen worden aanbeden zich niet hevig hebben verzet tegen de necrofiele verering van werken die minstens een eeuw geleden werden geschreven? Het debat is al gevoerd, maar blijkbaar is het nog niet tot iedereen doorgedrongen dat de kunstensector absoluut de financiële zuurstof nodig heeft om de overlevering vanuit het heden te verzekeren. De dag dat hedendaagse componisten enkel nog aan de bak kunnen komen als ze beleefd de smaak van het publiek bedienen, lijdt de esthetica van de toekomst een nederlaag. Instellingen zoals deSingel en deFilharmonie, die actueel en historisch repertoire doorheen hun respectievelijke seizoenen hand in hand laten gaan, strekken tot voorbeeld. Dat klassieke muziek niet verwordt tot een met uitsterven bedreigd artefact van het verleden, heeft juist alles te maken met de vanzelfsprekende verbintenis die traditie en toekomst in beide huizen met elkaar aangaan.

Afgelopen week maakten deSingel en deFilharmonie trouwens bekend dat ze vanaf volgend jaar nauwer zullen gaan samenwerken. Meer bepaald stippelen ze samen een parcours uit waarbinnen acht vooraanstaande orkesten hetzij de blauwe zaal van deSingel, hetzij de Koningin Elisabethzaal zullen aandoen. Een passage van het Philharmonia Orchestra of het City of Birmingham Orchestra was tot voor kort inderdaad ondenkbaar. Verder komen onder meer het London Philharmonic Orchestra, het Cincinnati Symphony Orchestra en het Budapest Festival Orchestra langs, meestal in gezelschap van dirigenten die hun sporen al hebben verdiend. Het culminatiepunt van de concertcylus wordt allicht de avond met Esa-Pekka Salonen als ceremoniemeester, maar namen als Louis Langrée, Iván Fischer, Jaap van Zweden en François-Xavier Roth liegen er niet om: Antwerpen krijgt volgend seizoen hoog bezoek. In toegankelijk en gevestigd repertoire bovendien, met het accent op Beethoven, die vier keer op de affiche staat. Brengt iemand Bart De Wever op de hoogte?

Niet toevallig maakten deSingel en deFilharmonie hun plannen voor volgend seizoen net afgelopen donderdag openbaar. De New York Philharmonic gaf in Antwerpen immers de aftrap van een Europese tournee, waarmee het meest vooraanstaande orkest van de Verenigde Staten haar huidige chef Alan Gilbert uitwuift. Het was meer dan een decennium geleden dat het New Yorkse orkest nog op Belgische bodem neerstreek.

John Adams’ minimalistische ‘The chairman dances’ kreeg een geëngageerde lezing, die het midden hield tussen spitsvondig en vanzelfsprekend. Voor Prokofievs eerste vioolconcerto verscheen solist Frank Peter Zimmermann vervolgens ten tonele. Hij zette zijn partij lyrisch, genuanceerd en communicatief neer, wat voor Gilbert een kans was om de drie bewegingen vanuit het orkest telkens nauwgezet te typeren. Het concerto werd geen homogene ervaring vertrekkend vanuit de viool, maar veeleer een collage van indrukken zonder vaststaand centrum, geheel in de geest van de partituur. Wispelturig, trefzeker, meeslepend: alleszins een uitvoering om meermaals te herbeluisteren. Dankzij Klara, medeorganisator van het concert, kan dat ook.

De apotheose van de avond werd ten slotte gevormd door Berlioz’ ‘Symphonie fantastique’. Hoewel het een partituur is die geregeld de concertzaal haalt, was de aanpak van Alan Gilbert zonder meer uniek. Ultragestileerd en ongewoon geraffineerd, liet de in New York geboren dirigent geen gelegenheid onbenut om effecten uit de muziek naar boven te halen. Door een groot deel van de kopers als het ware te isoleren van de rest van het orkest, expliciteerde hij hun uitzonderlijke rol binnen het stuk. De strijkers bediende Gilbert met bijzonder vernuft, met een wonderlijke balscène tot gevolg. Elders gebruikte Gilbert het gehele strijkerscorpus om tot een volle, gedragen klank te komen, het baken van torment dat Berlioz’ in zijn tragische weergave van liefdeskoorts heeft willen uitdrukken. De houten werden doorheen de uitvoering dan weer veelzijdig ingezet, met het oog op een scala aan karakters gaande van horror tot hilariteit.

De grootste revelatie was evenwel het slagwerk, waarvan een geniaal gechoreografeerde paukensequens de onderhuidse spanning die onder de hele lezing sluimerde, manifest maakte. Misschien had de lange adem van het werk te lijden onder de extreem detaillistische visie van de dirigent, waardoor de ‘Marche au supplice’ en vooral de ‘Songe d'une nuit du sabbat’ de verwachting van een regelrechte overrompeling niet helemaal waar maakten. De voorgaande drie delen lieten de zaal evenwel in opperste staat van vervoering achter. Dat Gilbert zoveel spektakel naar boven wist te halen in een werk dat menig melomaan als zijn broekzak denkt te kennen: het is genoeg om het woord ‘triomf’ in de mond te nemen. De teneur voor komend symfonische seizoen in Antwerpen is met andere woorden gezet. En hoe!

Lees hier meer over de concertcyclus seizoen 2017/2018.

Copyright foto: Chris Lee