Gent Jazz Festival 2017, dag 3

Mag er nog avontuur zijn?

Samenwerken: het zit in het DNA van de jazz verankerd. Van oudsher vormen muzikanten voortdurend nieuwe formaties, waarvan sommige nog geen etmaal standhouden, terwijl andere decennia blijven voortbestaan. De derde dag van Gent Jazz editie 2017 stond niet in het teken van traditionele trio's, kwartetten en kwintetten, wel integendeel. Een kwintet met twee trompetten, een pianotrio waarin de ene titaan zijn krukje doorgeeft aan een collega, een wereldvermaard saxofonist die het gezelschap van een symfonisch orkest opzoekt: het is geen alledaagse kost. Avontuur verzekerd dus. Of niet?

Hoewel ongewoon qua opzet, was de collaboratie tussen Enrico Rava en Tomasz Stańko (***), elk voor zich goed voor een rijk gevulde carrière en een paar albums bij ECM, geen toonbeeld van jazz die de geplogenheden oversteeg. De Italiaan, een overwegend lyrisch en intiem musicerend koperblazer, ging integer in dialoog met zijn Poolse evenknie, die zich ontpopte tot de meest klassieke en tevens de zuiverste van het duo. Stańko dacht in heldere gehelen, daar waar zijn collega zich soms vergreep aan intonatiefouten, instrumentaal gebazel of opdringerig gewriemel dat geen ruimte liet voor zijn compagnon. De resultante van deze atypische ontmoeting tussen twee iconen was niettemin bezwerend, hoewel het begeleidende pianotrio zich zelden engageerde voor geëmancipeerde bijdrages. Toetsenist Giovanni Guidi, contrabassist Reuben Rogers en drummer Gerald Cleaver – op papier een triumviraat om U tegen te zeggen – speelden schijnbaar met de rem op. Hun set werd er dan ook een van puur vakmanschap, zonder meer. Alleszins niet genoeg om de passage van Rava en Stańko in het geheugen te griffen.

Het volslagen tegendeel van de eerder conventionele muziek waar Rava en Stańko borg voor stonden, was wat Trio Grande (***) tot drie keer toe op het alternatieve podium presenteerde. Wars van wat voor wetmatigheden dan ook, is de muziek van Michel Massot, Michel Debrulle en Laurent Dehors een ode aan diversiteit, humor, plezier, collectief gissen en tasten en blindelings construeren. Dat zoveel schalkse losbandigheid niet continu van de bovenste plank kon zijn, was evident. Hetzelfde gold bovendien voor het baldadige geflirt met de cultuurgeschiedenis dat het Rêve d'Eléphant Orchestra (***) aan het slot van de dag in veelvuldige geuren, kleuren en tonen etaleerde. Het concert was een onvolprezen exempel van nimmer aflatend zoeken, met hoogtes en laagtes, vreugde en melancholie, scherts en ernst. De retorische vorm van de jazz is niet het statement, wel de vraagzin. Het verlangen om project na project de principes van het genre opnieuw uit te vinden, is hetgeen waaraan dit negenkoppige ensemble zijn onweerstaanbare aantrekkingskracht te danken heeft.

BassDrumBone (***) is het evenmin verleerd om te blijven graven naar nieuwe vormen van communicatie. Hoewel het trio in haar veertigjarige bestaan slechts per grote uitzondering met andere musici heeft gespeeld, zijn de contrabas van Mark Helias, de drums van Gerry Hemingway en de trombone van Ray Anderson nog lang niet op elkaars artisticiteit uitgekeken. Hun set mocht model staan voor jazz waarin luisteren en zich in het moment laten verrassen de bakermat vormen voor elk idee. Iedere individuele muzikale geste ontsproot immers uit de ervaring van het collectieve. Een trio zonder hoofd- en bijrollen dus. Continu prikkelend, zij het idiomatisch wat monochroom, waardoor het concert een onnodig lange zit werd.

En over prikkelen gesproken: dat is iets wat McCoy Tyner (**) niet meer kan. De mokerslagen die hij decennia geleden met de linkerhand placht uit te delen, hebben hun precisie, hun timing en dus hun effect grotendeels verloren. Gent Jazz kreeg met andere woorden de schim van een jazzlegende te horen. Toch ging het concert niet de dieperik in, en wel dankzij Tyners band. Met Francisco Mela als ritmische sterkhouder had de motor van de muziek geen seconde tijd om te pruttelen. Het was echter ‘special guest’ Craig Taborn (****) die de passage van Tyner verteerbaar maakte. Hoewel het vreemd was om hem aan andermans thema's te horen rammelen en om hem in een ongewoon ‘gewoon’ keurslijf gedwongen te zien, betekende zijn improvisatorische discours een bevrijding. Helemaal geen slecht idee dus, om een jongere God als voorprogramma bij een versleten mythe te programmeren. Jazeker, het is een formule om vaker te herhalen.

Net zoals Herbie Hancock zijn reputatie op de tweede dag van Gent Jazz eer aandeed door in exquis gezelschap aan te treden, zo liet ook Wayne Shorter (***) zich eens te meer bijstaan door een formidabel trio. Bij wijze van opwarming gaven pianist Danilo Perez, contrabassist John Patitucci en drummer Brian Blade een genereuze improvisatieronde ten beste, waar Shorter af en toe een existentiële kreet aan toevoegde. Dat minder meer is geworden in geval van het Amerikaanse icoon van de sax, is ondertussen oud nieuws. Shorter heeft net als Tyner niet meer de inspiratie en de energie van weleer, maar in gezelschap van figuren die een continue spanning genereren, slaagt hij erin om af en toe een prachtige riedel aan te blazen, die op een wezenlijke manier het muzikale geheel verrijkt.

Idealiter had het Wayne Shorter Quartet anderhalf uur jazz mogen volmaken, maar dat was buiten Casco Phil gerekend. Dat orkest vervoegde het kwartet voor ‘Emanon’, een soort georkestreerde melange van snippers uit Shorters carrière. Hoewel pittoresk qua klankkleur en filmisch qua elan, was het zonde dat orkest en kwartet zelden tot een echte dialoog kwamen. Wanneer er wel collectief werd gemusiceerd, voegde de ene partij hooguit een parfum toe aan de andere. Verre van een baanbrekende symbiose dus. De grafische creatie waar Shorters partituur mee gepaard zou gaan, was overigens nergens te bespeuren. Zodoende werd de afsluiter van de avond niet het verhoopte hoogtepunt.

Kort samengevat werden doorheen de verschillende concerten vooral geijkte paden bewandeld, op Taborns creatieve impulsen na. Aardig, maar geen festivaldag om zich te blijven herinneren.