In de weegschaal: symfonisch repertoire van John Adams

The John Adams Edition

De genese van een hedendaagse canon

Hoe ontstaat iets als een canon? Is het aan de tijd zelf om bepaald repertoire uit te selecteren? Zo ja: hoe gaat dat, hoe doet ‘de tijd’ zijn ‘werk’? Wordt die canon uiteindelijk helemaal vanzelf gevormd, en als dat zo zou zijn: is de vanzelfsprekendheid van dat proces onfeilbaar? Of is het tegendeel waar en is erfgoed iets wat door mensenhanden wordt gesmeed? Blijft immers niet datgene over dat door individuen wordt gepromoot als zijnde ‘waardevol genoeg om aan volgende generaties door te geven’? Tot zover.

Het zijn vragen die hedendaagse componisten bezighouden. Of dat zou toch moeten. In een tijdperk waarin concertzalen vollopen voor muziek die minstens een eeuw geleden werd gecreëerd en dikwijls leeglopen voor nieuw werk, moeten diegenen die vandaag de pen voeren zich afvragen hoe de vrucht van hun arbeid zich tot de wereld van het heden en die van morgen kan en zal verhouden. Dat hetgeen genoeg kwaliteit bezit per definitie zal komen bovendrijven, is immers een betwistbare aanname. Er zijn nu eenmaal krachten die een bepaalde koers uitstippelen, en die krachten zijn bij uitstek menselijk. Vandaar dat het van wezenlijk belang is dat de Berliner Philharmoniker onder leiding van Sir Simon Rattle in een recent verleden een lans brak voor John Adams.

Wie heeft nieuw nodig?

Lang niet alle dirigenten – laat staan alle orkesten – zijn er van overtuigd dat zij zich moeten engageren voor nieuwe creaties. Nochtans is het historisch altijd zo geweest dat eminente dirigenten zowel als orkesten de vinger aan de pols van hun tijd hielden. Net diegenen die in de bres gesprongen zijn voor kunstenaars die in eerste instantie als mindere goden werden afgedankt, zitten tegenwoordig in het collectief memorie verankerd. Alleen al om die reden is het onbegrijpelijk dat hedendaagse muziek overwegend stiefmoederlijk behandeld wordt door de artistieke leiding van menig orkest. Die schuift de verantwoordelijke evenwel niet zelden af op de zakelijke leiding, die zelf dan weer verwijst naar het publiek. ‘Als niemand er van wakker ligt, waarom zou men dan het risico nemen andere stemmen dan de reeds gekende een plaats te geven?’

Een dergelijke redenering geldt als dooddoener voor de kunst. ‘Wakker liggen’ van datgene dat nog niet bestaat, doet per definitie niemand. Leidinggevenden van artistieke organisaties zouden echter moeten inzien dat ze zich pas verzekeren van een toekomst als ze hun kunst blijven inbedden in het heden – zowel vandaag als morgen, want voor je het weet maakt de toekomst de orde van de dag uit. De meest radicale manier om klassieke muziek in het hier en nu in te bedden, is daarenboven door middel van nieuw werk. Een atypische concertformule (met gedoofde lichten, een confrontatie met cinema, noem maar op) of een avontuurlijk samengesteld programma (pakweg een affiche reikend van vroege barok tot serialisme, geconcentreerd rondom een thema): het zijn pogingen die blijven vissen in de aloude vijver van repertoire waarvoor steeds minder jonge mensen warm te krijgen zijn, ook al probeert men het stereotiepe format te retoucheren.

De cijfers noch de feiten liegen er evenwel om: avonden waarop nog maar eens een concerto of nog maar eens een symfonie worden opgedist, spreken tieners en twintigers zelden tot de verbeelding – als de dertigers al niet zitten te geeuwen of in te dommelen. Dit zijn weliswaar veralgemeningen, maar ze zijn een teken aan de wand. Wie die tekens vandaag niet leest en er niet naar handelt, krijgt morgen te maken met een wegkwijnende traditie. Wordt er straks gratis incontinentiemateriaal aangeboden bij de kaartjes, eenmaal alleen zeventigplussers nog de weg naar Bach, Beethoven, Brahms en co vinden?

Plan B: Berlijn

“Kan het anders?”, is dan de vraag. Het antwoord is alleszins “ja”. Denk maar aan een instituut als de Berliner Philharmoniker, dat met een uitgebreide poot publiekswerking alle geledingen van de samenleving naar de Philharmonie probeert te lokken. Evident is die opdracht alvast niet, want het huis heeft een stevige traditie die in ere moet gehouden worden, een grote schare bezoekers die zich niet laten vermurwen door hedendaags werk en tegelijk een plaats in een stad waar de meest diverse en soms ook extreme subculturen hun plaats opeisen. Een traditioneel symfonieorkest kan zich in een dergelijke setting alleen handhaven door al die verschillende doelgroepen te bedienen. Met vertoningen van historische opnames, met concerten op atypische uren of op atypische locaties, met een indrukwekkend digitaal archief waarop ook live wordt gestreamd, …

Is dat evenwel genoeg? Niet als het werkelijk ‘hedendaagse’ geen plaats krijgt binnen het gehele aanbod. Dus programmeert de Berliner Philharmoniker met grote regelmaat werk uit het tweede deel van de 20ste eeuw, alsook opdrachten die de voorbije twee decennia werden uitgeschreven. Het meeste daarvan verschijnt niet op cd, maar ook wat dat betreft is de zogenaamde Digital Concert Hall van het orkest een belangrijk instrument: het is een geheugen dat dag en nacht raadpleegbaar is, een instrument dat het eenmalige onmiddellijk bezegelt richting eeuwigheid.

En wat als? Wat als een orkest als de Berliner Philharmoniker zich niet over John Adams zou ontfermen? Dan zouden andere orkesten dat misschien doen. Feit is evenwel dat die ‘andere orkesten’ meestal in de Adams-clichés blijven hangen wanneer ze met zijn repertoire naar buiten komen. Zo passeert ‘The Chairman Dances’ wel eens de revue, een ritmisch opzwepende dans ontleend aan Adams’ opera ‘Nixon in China’. Meer dan een kennismaking met het stereotiep van langzaam opgebouwde spanning aan de hand van repetitieve cellen, zit er voor het publiek bij een dergelijke lezing niet in.

Waar zijn met andere woorden Adams’ grotere werken? Waar het onvolprezen meesterwerk ‘Harmonielehre’? Waar het bezwerende oratorium ‘The Gospel According To The Other Mary’? Het hyperkinetische stadsportret ‘City Noir’? De koortsig-droomachtige atmosfeer van ‘Scheherazade’? In de concertzalen zijn ze alvast nergens te bespeuren, althans in ons land. In een luxe-uitgave getiteld ‘The John Adams Edition’ zijn ze echter stuk voor stuk terug te vinden. Eindelijk.

John who?

Wie is echter John Adams? Musicologen stoppen hem dikwijls in het vakje ‘minimalisme’, maar zoals dat gaat met vakjes is het te klein en te beperkend voor ’s mans stijl. Anders dan figuren als Philip Glass en Steve Reich, boegbeelden van datzelfde minimalisme waar de bewuste musicolgen het over hebben, identificeert Adams zich niet met die hele stroming. Hoewel subtiel zijn diens repetitieve clusters immers veel meer aan ontwikkeling onderhevig, waarbij de uitdrukkelijke bedoeling van het evoluerende weefsel het genereren van een bepaalde catharsis is. Het acme ligt kortom niet in de herhaling zelf besloten, maar in de wijze waarop cellen door de muzikale context waarin ze toeven – de verhouding tot de ‘omgevende klankbakens’ – veranderen en almaar intenser worden. Filosofisch valt dat amper te rijmen met het eigenlijke minimalisme, waarin de herhaling zelf in de meeste gevallen de essentie van de beleving uitmaakt.

Adams zit er trouwens niet om verlegen zich uitdrukkelijk te verzetten tegen elke beweging of stijl waar men hem aan probeert te koppelen. Zijn werk verdraagt geen dogmatische principes, maar moet de vrijheid hebben om te zijn wat ze is. Wat dat betreft wijst Adams overigens naar het repertoire van grote voorgangers, die net als hij het gevoel hadden dat ze in hun werk het verleden met het heden in aanraking konden brengen, wars van de doctrine van regels die anderen het werk probeerden toedichtten of opleggen.

Toch is het verwantschap met het minimalisme niet triviaal, want niet toevallig is het die stroming die er, nota bene als een van de weinige, sinds de zeventiger jaren van de vorige eeuw in geslaagd is om de banden met liefhebbers van meer courante stijlen zoals popmuziek over de streep te trekken. Door resoluut te kiezen voor een integratie van populaire elementen zoals herkenbare melodieën en repetitieve clusters, wist een hele generatie zich ineens aangesproken door muziek die voor hen weinig van doen had met wat traditioneel voor ‘klassiek’ doorgaat. Adams is met andere woorden een sleutelfiguur als het gaat om de verbinding tussen dit ‘alternatieve publiek’ en de muziekgeschiedenis. Hij bereikt dat bewuste publiek, de man in de straat, maar gaat uit van een esthetisme dat diep in de voorbije eeuwen wortelt.

Klinkende actua

Een ander wezenlijk aspect dat niet los te zien is van Adams’ figuur, is de doorwerking van de actualiteit in zijn oeuvre. Zo bevat ‘On the Transmigration of Souls’, waarmee Adams in 2003 de Pulitzer Prize for Music in de wacht sleepte, teksten uit posters van vermiste personen die in de buurt van Ground zero werden aangetroffen na de aanslagen van 11 september 2001. ‘The Death of Klinghoffer’, een opera over de kaping van de Achille Lauro door het PLF, werd enkele jaren nadien het middelpunt van een maatschappelijk debat omwille van vermeend antisemitische connotaties, die echter als ferm overroepen beschouwd moeten worden.

Ook ‘Nixon in China’, waarvan de titel de inhoudelijke lading goed dekt, en ‘Doctor Atomic’, een weergave van de eerste testen met de atoombom, nestelen zich midden in de samenleving. Adams’ werk laat zich kortom niet lezen los van de geschiedenis, hoewel zijn muziek het hier en nu ver overstijgt. Was het anders met Mozarts Da Ponte-opera’s, Beethovens ‘Fidelio’, Wagners integrale oeuvre, Verdi’s latente politiek en ga zo maar door? Integendeel: het is de signatuur van componisten die blijven. Een figuur wordt niet relevant voor een generatie die nog moet geboren worden, nee: een kunstenaar die zich openlijk verhoudt tot de gangbare politieke en sociale thema’s wordt sneller existentieel gelezen dan een collega waarvan het publiek zich mopperend afvraagt wat dat oeuvre er eigenlijk toe doet. Noem het boerenverstand – maar hoe komt het dan dat ook nu nog librettisten maar al te graag het universele, tijdloze en mythische aanboren, vanuit een openlijke weerzin om zich in het maatschappelijke discours te moeien?

Waar beginnen? Hier beginnen!

Een heel aantal werken die ter gelegenheid van deze vierdelige opname gebundeld worden, verschenen reeds afzonderlijk – weliswaar in opnames van andere orkesten. ‘Harmonielehre’, waarmee deze set opent, is zelfs een van Adams’ meest prominente partituren, waarvoor Sir Simon Rattle geruime tijd geleden aan het hoofd van het City of Birmingham Symphony Orchestra al een lans brak. Daarnaast heeft het San Francisco Symphony het tot twee keer toe opgenomen, onder zowel Edo de Waart als onder Michael Tilson Thomas. Geen van die interpretaties kan echter tippen aan de uitvoering die de componist zelf dirigeerde in september 2016. Meer nog dan met de dirigent heeft dat met het orkest te maken, dat de rondtollende en –spinnende texturen laat resoneren, in wat een minutenlange, compromisloze opbouw is richting delicate climax. ‘City Noir’, dat Gustavo Dudamel in 2009 voor het eerst mocht dirigeren in Los Angeles, verschijnt ten derden male op cd. Ook hier bewijst de Berliner Philharmoniker, onder leiding van de Venezolaanse dirigent, dat haar gestroomlijnd klankapparaat en haar discipline – als het er op aan komt – alle concurrentie moeiteloos naar huis speelt. Timothy McAllister, die met het werk de wereld rondtoert, is onovertroffen als solist op altsax.

Misschien wel de grootste ontdekking van deze set is evenwel ‘Scheherazade.2’, een ‘dramatische symfonie voor solo viool en orkest’ in vier bewegingen. Leila Josefowicz, notoir vertolker van hedendaags repertoire, speelt de sterren van de hemel, terwijl de Berliner Philharmoniker de meest feeërieke kleuren uit de klankkast die het orkest is, haalt. John Adams zelf dirigeert afgemeten maar warm. Het geheel is verpletterend – alleen al de manier waarop het timbre van het cimbalom zich met het timbre van de strijkers mengt, is legendarisch. En zeg nu zelf: iets ‘legendarisch’ ervaren in een hedendaags werk, is dat geen zeldzaamheid? Voor ‘The Wound-Dresser’, op tekst van Walt Whitman, laat de wereldvermaarde bariton Georg Nigl zich voor het orkest spannen, gedirigeerd door toekomstig Berlijns chef Kirill Petrenko. Het orgelpunt is ten slotte het door Sir Rattle zelf gedirigeerde oratorium ‘The Gospel According to the Other Mary’, waarin de wat bizarre tekstuele spinsels weerklank krijgen in een eigengereid, muzikaal-dramaturgisch efficiënt vormgegeven stuk van bijna twee en een half uur. Wie Adams liever compacter aan het werk hoort, krijgt van Alan Gilbert twee snoepjes cadeau: het ratelende ‘Short Ride in Fast Machine’ en de knipogen van een onweerstaanbaar ‘Lollapalooza’. Van ernst naar humor en terug: Adams stopt het allemaal in zijn werk. Deze box heeft het dan ook allemaal te bieden.

Dus…wat zegt de weegschaal?



Toegegeven, onze lezers moeten eigenlijk veel te veel. Dit is ‘niet te missen’, dat is ‘een must’, daar ‘moet je absoluut heen’, enzovoort. Wat ‘The John Adams Edition’ betreft, tot stand gekomen naar aanleiding van Adams' officiële aanstelling van 'composer in residence' bij de Berliner Philharmoniker, is het echter menens. Deze keer is het écht van moeten.
Score: *****
Bekijk hier een introductie tot de opname.
Lees hier meer over de opname.