Berliner Philharmoniker, ‘The Asia Tour’

Azië, een nieuw walhalla?

Op haar eigen label zit de Berliner Philharmoniker niet verlegen om een schijfje meer of minder. Na lijvige uitgaves van de volledige symfonieën van Schumann, Schubert, Beethoven en Sibelius, kwam de vierdelige uitgave met symfonisch repertoire van John Adams niet als een verrassing. Evenmin verwonderlijk is dat het label aan die teneur kortgeleden het vijf cd’s tellende ‘The Asia Tour’ toevoegde, een luxe-uitgave die de laatste passage van Sir Simon Rattle in Azië als dirigent van Duitslands (en volgens velen ’s werelds) beste orkest documenteert. Of, wel verwonderlijk? Wat valt er immers te documenteren aan een Aziatische tournee? Is een tournee ginder anders dan een Europese of Amerikaanse excursie? Blijkbaar wel, wat vooral met het publiek te maken zou hebben, dat zowel de orkestmusici als de dirigent naar verluidt met groot enthousiasme onthalen. Die overgave voor westerse klassieke muziek vertaalt zich bovendien naar een resem fonkelnieuwe concertzalen, die Azië tot het toekomstige walhalla van de Europese traditie katapulteren – althans voor wie enige verbeelding aan de dag legt.

Een duik in de geschiedenis van de Berliner Philharmoniker leert dat dit orkest de poort voor westerse orkesten richting Azië ontsloot. ‘The Asia Tour’ markeert bovendien de zestigste verjaardag van de muzikale verstandhouding tussen Berlijn en Japan, die in de jaren ’50 onder impuls van Herbert von Karajan gestalte kreeg. Sinds von Karajan hebben chefdirigenten van de Berliner Philharmoniker Japan stelselmatig bezocht. Dikwijls was het repertoire waarmee ze zichzelf internationaal op de kaart hebben gezet er hun exportproduct. Voor von Karajan betekende dat een aantal reeksen met een integrale Beethovencyclus, voor Abbado concerten met Mahler maar ook Wagner. Ook Rattle dirigeerde er een paar jaar geleden zijn gelauwerde cyclus met de negen Beethovensymfonieën. Een paar jaar daarvoor had hij al zijn liefde voor Haydn gepropageerd. Anders dan zijn voorgangers is Sir Rattle echter moeilijker vast te pinnen op een handvol componisten. Dat ‘The Asia Tour’ een heterogene verzameling is van stijlen en periodes, typeert de Brit dan ook ten voeten uit.

De nadruk ligt evenwel onmiskenbaar op de twintigste eeuw, met werken van Bartók, Stravinsky en Ravel. Rachmaninov hoort op zijn beurt chronologisch in diezelfde eeuw thuis, maar refereert aan een eeuw eerder en dus aan een romantiek waar Sir Rattle evenzeer voeling mee heeft. Daarvan getuigen onder andere zijn onvolprezen Brahms-opnames, waar hij voor de gelegenheid van zijn Aziatisch afscheid nog eens een lezing van de vierde aan toevoegde. Met Strauss zit het orkest dan weer op het kruispunt tussen romantiek en moderniteit, een periode waarin de Berliner Philharmoniker zich altijd heeft bekwaamd. Verder legt deze box ook getuigenis af van de betrokkenheid die het orkest ervaart bij hedendaagse muziek. Speciaal voor de tournee kreeg componiste Unsuk Chin de opdracht voor een orkeststuk, waarvan het resultaat naar de titel ‘Chorós Chordón’ luistert. Het verwijst naar het ontstaan van het universum, een spreekwoordelijke geboorte die zich via de klank herhaalt. Tot slot reikt de Berliner Philharmoniker het Aziatische continent ook de hand via een samenwerking met inlandse solisten. In principe was het Lang Lang die de musici op hun tournee zou vergezellen, maar die moest afzeggen. Zo zijn de immer kortgerokte Yuja Wang ('I can wear long skirts when I'm 40') en de meer timide Seong-Jin Cho van respectievelijk Chinese en Zuid-Koreaanse origine.

Hoewel de Aziatische tournee in totaal zeven steden aandeed, capteren de vijf cd’s van ‘The Asia Tour’ uitsluitend de twee laatste concerten in Suntory Hall, Tokyo. Op de meegeleverde blu-ray kan je dezelfde werken horen én zien, opgenomen in Hong Kong, Wuhan en Seoul. Aangezien de muzikanten op het einde van de tournee het repertoire helemaal in de vingers hadden, bleken de concerten in Tokyo echter de beste. Niettemin is het vergelijkingsmateriaal razend interessant voor doorwinterde melomanen. Een vlekkeloze set is dit overigens niet. Ravels pianoconcerto in G, dat uitzonderlijk in Berlijn werd opgenomen, loopt bijvoorbeeld niet helemaal soepel. Op papier is de Berliner Philharmoniker nochtans een van die orkesten die het tegendraadse karakter van Ravels jazzy partituur tegelijk nonchalant als precies kan neerzetten, maar in de praktijk is er een discrepantie tussen de gewilde ease en de feitelijke rigueur. Ook solist Seong-Jin Cho zit schijnbaar niet helemaal lekker in zijn vel. Het doorzichtige parelen van Debussy’s ‘Reflets dans l’eau’ (als bisnummer mee opgenomen) ligt hem beter dan het feestelijke karakter van Ravels aan de Amerikaanse cultuur schatplichtige concerto. Yuja Wang is evenmin een gedroomde soliste voor Bartóks tweede concerto. Wat ze aan lichaamsoppervlak onbedekt laat, wordt in haar spel helaas onder grote gebaren bedolven. Aan technisch vingerbrekens geen gebrek, maar aan het vermogen om zich te verplaatsen in het torment en de eigengereide esthetica die de componist voor ogen had? Nou …

Strauss’ ‘Don Juan’ is dan weer intrigerend, alleen al omdat von Karajan het werk zestig seizoenen eerder ook meenam naar Japan. Sir Rattle, inmiddels aan zijn tweede opname toe, kan anders dan von Karajan nog geen drie lezingen op zijn conto schrijven, maar treffend is dat beide dirigenten klein detail en overkoepelend narratief proberen te verbinden. Alleen al het naast elkaar kunnen ervaren van de in totaal vijf interpretaties van deze twee dirigenten – dankzij streamingdiensten is dat vandaag de dag een koud kunstje – is voer voor een avond verrukt vergelijken. Verder keert Rattle met Brahms’ vierde symfonie terug naar een van zijn oude liefdes. Opvallend is hoe levendig en dynamisch de vertolkingen onder zijn baton klinken: waarlijk orgiastisch in het slotdeel, maar ook daarvoor al onrustig broedend, met een urgentie die dirigenten zelden in dit werk terugvinden, of opzoeken. Deze woelige lezing, nog een tikkeltje extremer dan diegene verschenen in Rattles tien jaar oude integrale, zal niet voor iedereen weggelegd zijn. Niettemin strekt het tot aanbeveling om het lyrische en het elegische zo fantastisch aan het vreugdevolle gekoppeld te weten. En ook in Rachmaninovs derde symfonie bouwt Sir Rattle een brug tussen het lijden en het jolijt, dat zich via de schoonheid manifesteert als tegengewicht voor de tragiek inherent aan de Russische ziel. Met een symfonisch uitstapje naar Puccini’s ‘Manon Lescaut’ doen Sir Rattle en de zijnen overigens uitgeleide met een vleug doorluchte pathetiek. Noem het het nec plus ultra van datgene wat ook door Rachmaninovs opus 44 voor staat.

Het gloednieuwe ‘Chorós Chordón’ is finaal geen hoogtepunt. Unsuk Chin schrijft zich met dit stuk immers in in een beweging van hedendaagse componisten die een abstracte tonaliteit bedrijven die vooral sferen bedient, meer dan een autonome muzikale taal ontwikkelt. Het is weliswaar een partituur vol muzikale indrukken, van feëeriek-idyllisch tot beangstigend-claustrofobisch, en de heren en dames van de Berliner Philharmoniker brengen de partituur trefzeker tot leven. Toch blijft het een werk dat deze Aziatische passage vermoedelijk niet zal overleven. Waar is de eigenheid, het zeggenschap en de noodzaak die bij voornoemde componisten wél stelselmatig terugkeren? Stravinsky’s ‘Petrushka’ vormt evenwel een hoogtepunt. Hier openbaart Sir Rattle zichzelf als iemand die weet waar welke accenten te leggen, als iemand die weet hoe het continuüm kan worden gevrijwaard van te veel nauwkeurigheid, en iemand die toch het detail tot in de diepte weet op te zoeken. Zeker in een uitvoering als deze blijkt het een zegen over musici zoals die van de Berliner Philharmoniker te beschikken, waarvan de individuele leden stuk voor stuk voldoende solistische kwaliteit bezitten. Dat vertaalt zich zowel naar grote intimiteit als naar een weergaloze onderlinge balans, maar ook naar een vermogen om elkaars partijen op te zoeken en te verrijken. Voor een werk dat niet zo heel vaak op de affiches verschijnt, is deze interpretatie er een die doet inzien hoe een deel van Stravinsky’s werk ten onrechte een rol in de schaduw van diens niet minder fascinerende maar stilistisch niettemin erg deviante ‘Le sacre du printemps’ is beschoren.

Samengevat is ‘The Asia Tour’ een avontuurlijke toevoeging aan de discografie van het huislabel. Tot nog toe stond alles immers in het teken van uitgaves toegespitst op een bepaalde componist, terwijl deze box tegen die teneur indruist, en daarmee een waarheidsgetrouwe getuigenis aflegt van de diversiteit van repertoire waarin de Berliner Philharmoniker uitblinkt. Het predikaat ‘legendarisch’, dat voor de Schumann, Schubert en Beethoven-integrales zeker op zijn plaats was, is hier uit den boze, vanwege enkele interpretaties die voor enige discussie vatbaar zijn. Ook dàt is echter de Berliner Philharmoniker: nooit de weg van de minste weerstand, altijd het verlangen naar onontgonnen paden. Wedden dat dat onder toekomstig chef Kirill Petrenko niet anders zal zijn?