Ballet Vlaanderen, 'Hope'

Een perfecte grens

De vrouwelijke lijn in Borderline, het eerste zelf samengestelde seizoen van Sidi Larbi Cherkaoui en Tamas Moricz

Bij zijn aanstelling tot artistiek leider van het Ballet Vlaanderen liet duizendpoot Sidi Larbi Cherkaoui optekenen dat hedendaagse dans en klassiek ballet voor hem niet meer dan extensies van elkaar betekenen. De fusie met Opera Vlaanderen heeft hem niet gehinderd, maar eerder verrijkt.

‘Borderline’, het eerste zelf samengestelde balletseizoen van Cherkaoui en Tamas Moricz laat verschillende disciplines met elkaar communiceren en grenzen worden actief opgezocht. Het drieluik ‘Hope’ (‘Cafe Müller’, ‘Chronicle’ en ‘Ecdysis’) focust minder op het geopolitieke dan op het historische karakter van de hedendaagse dans. Het werk en de invloed van drie vrouwelijke choreografen wordt aan haar grenzen getoetst: klassiek ballet gaat in dialoog met moderne en hedendaagse dans en net zoals in andere producties wordt ook hier het live-orkest onder leiding van Daniel Inbal ingezet.  

Pina Bausch – en velen na haar – bracht haar stukken tot stand door middel van socratische dialogen met haar dansers. Die premisse is niet strikt noodzakelijk voor een herneming, zolang je niet letterlijk kopieert, wat hier wel het geval is. De dode materie blijft gelijk: de stoelen, de klapdeur, de glazen wanden en de deuren links en rechts, maar ook de overgeleverde choreografie.

‘Café Müller’ (1978) is na de dood van Bausch in 2009 gemusealiseerd. Je kunt het overal ter wereld gaan bekijken, toch krijg je de dood er niet meer uit. Tenzij anderen het gaan dansen. Hun inbreng vestigt duidelijk de aandacht op de betoverende kracht van het ritueel, al is de expressie van deze jonge dansers wat braaf. Ook de stoelen staan wat minder in de weg. Het stuk werd ingestudeerd met enkele oorspronkelijke medewerkers van Bausch. Het respect was misschien te groot, want de dansers van Ballet Vlaanderen stoften de overtuigingskracht en noodzakelijkheid van het creatieproces mee af.

Demeter en Persephone

De interessantste actualisering van repertoire is ongetwijfeld Martha Grahams vroege werk ‘Chronicle’ uit 1936. Waar Pina Bausch de hedendaagse dans mee vormgaf, is het werk van Graham de wegbereider van de moderne dans. Het is deels schatplichtig aan de beeldtaal van het koppel Ted Shawn en Ruth St. Denis uit het begin van de vorige eeuw. Graham behield de felle geestdrift en het expressionistische karakter van hun creaties, maar puurde het tegelijk uit. ‘Chronicle’ mag dan een exponent zijn van een danstaal die de westerse podiumkunsten langdurig zou beïnvloeden, opvallend is hoe gedateerd deze choreografie toch ook lijkt.

Vergelijken met het origineel is in dit geval bijzonder moeilijk en behelst in feite niet meer dan een interpretatie aan de hand van archiefmateriaal. Tien zwarte jurken stampen hun hielen in de grond en ploegen met armen en benen hoekige lijnen door de bezwaarde lucht. Een razernij die volgens Graham herinnerde aan het collectief geheugen, het bovenzinnelijke dat zich in onze botten en zenuwen sedimenteert. De ‘bloed-herinnering’. Tegenover dat geweld zie je twee keer de individuele strijd. De proloog ‘Spectre’ is een krachtige solo, waarin het rood en zwart van een immens kleed het ontij in het hoofd van de vrouw verlengt. ‘Steps in the street’ toont dan weer het jongere gezicht, als een priesteres in een dwingend wit gewaad zuigt ze de andere dansers naar haar toe. Als Demeter en Persephone. Moeder en dochter, maar in feite één.

Transformatie

‘Ecdysis’ van Cherkaoui-vertrouwelinge Annabelle Lopez Ochoa ten slotte is een volstrekt nieuwe productie, maar zowel inhoudelijk als vormelijk toont ze nogal wat overeenkomsten met het stuk van Graham. Haar opzet is weliswaar origineel: de migratie van vluchtelingen vertaalt ze naar het afwerpen van een stuk huid of exoskelet, ‘ecdysis’. Een dier overleeft door het eigen lichaam langzaam te transformeren. Zoals toen vissen aan land gingen en besloten reptiel te worden. Deze strijd krijgt hier een quasi martiaal karakter, aangestuwd door de driftige muziek van Górecki in de orkestbak.

Ochoa kiest voor een wat kinderlijke vormgeving: een enkel peertje hangt links boven de scène en op de muur rechts achteraan is de schering en inslag van een weefsel geprojecteerd. Synchroon met een drietal scènewissels verandert het van geel over rood tot wit en zwart. Finaal licht de scène wit op. Ze overspeelt haar hand, wanneer ook nog eens witte ballonnetjes uit het plafond vallen en de transformatie zichtbaar voltooid is. Het volstaat immers te zien hoe de dansers hun stekelige pakjes afwerpen tegen het licht. ‘Ecdysis’ zou meer aan de ribben blijven hangen, mocht het niet in die mate bulken van visueel lokaas.

Een perfecte grens

De chronologie van deze ‘triple bill’ doet vreemd aan: twee repertoirestukken – eerst Bausch, dan pas Graham – krijgen een bekroning met een volstrekt nieuw stuk. Daar komt nog eens bovenop dat ‘Café Müller’ een compleet ander register bespeelt dan de overige twee. ‘Le Sacre du Printemps’ was vormelijk een logischer keuze geweest, maar dat had wellicht minder geschuurd en minder de dansevolutie geschetst. ‘Hope’ leeft van die frictie. In de tweede jeugd van ‘Café Müller’ en in de krachtige groepschoreografieën van ‘Chronicle’ en ‘Ecdysis’. ‘Hope’ sluit ‘Borderline’ af. Als een perfecte grens deelt het haar bestaansrecht met heden en verleden, met hoop voor de toekomst, met een vrouwelijke lijn in de dansgeschiedenis die niet genoeg aandacht kan genieten. Daarom alleen al mag ‘Hope’ een voltreffer heten.

Copyright foto's: Filip Van Roe