Arnon Grunberg, 'Bij ons in Auschwitz. Getuigenissen'

Pleidooi voor het blijven vertellen van verhalen

Sinds de bevrijding van Auschwitz op 2 januari 1945, ondertussen 75 jaar geleden, is het concentratiekampcomplex hét symbool van de Holocaust en Shoah. Meer dan 1,1 miljoen mensen werden in het kamp in de meest onmenselijke omstandigheden de dood in gejaagd. Sommige inschattingen spreken zelfs over 1,6 miljoen zielen. 90% van hen waren joden. Sinds de ontdekking werden de namen Auschwitz en Birkenau in ons DNA verweven. De vernietiging was namelijk vlakbij, uitgevoerd door mensen van bij ons. We kunnen ons niet wegstoppen achter het excuus dat het allemaal ver weg gebeurde, door mensen die ons onbekend waren. Het gebeurde hier, in Europa, vlak onder onze neus. We kenden de mensen die eraan deelnamen. We kenden de slachtoffers. Ze woonden bij wijze van spreken net om de hoek. Vrijheid, Gelijkheid en Broederlijkheid, de waarden van de verlichting, werden door nazi’s gereduceerd tot het absolute niets. De Menselijkheid werd gedurende het 15-jarige nazibewind uit ons vocabulaire geschrapt.  

Tijdens de herdenking van de bevrijding van Auschwitz kwam één boodschap prominent terug: de oproep om de verhalen uit de kampen te blijven vertellen. Zodat de slachtoffers uit Auschwitz, Birkenau, Treblinka, Dachau, Bergen-Belsen, Theresienstadt en al die andere, tientallen!, kampen nooit worden vergeten. De verhalen over hoe mensen de kampen overleefden. De verhalen over hoe er bij de slachtoffers, ondanks alle ontberingen, wél menselijkheid leefde. De verhalen over hoe er op de mestvaalt die de nazi’s uitbaatten toch nog, hoe zwak ook, hoop oplichtte. Het was een oproep om nooit te vergeten wat er gebeurd is, en ervoor te zorgen dat het zich nooit meer zou kunnen herhalen. Een oproep om onze Menselijkheid nooit meer te verliezen. 

Ter gelegenheid van de herdenking verzamelde Arnon Grunberg teksten van de ‘morele getuigen’ van Auschwitz. Grunbergs moeder overleefde het kamp en schrijft er zelf over. Zelf zei hij over het kamp: "Ik wil niet genezen van Auschwitz. Het is mijn verleden, heden en toekomst." Maar het gaat ons allemaal aan, verduidelijkt hij in dit interview: "Het is een wonde die iedereen aangaat want het is een culturele wonde." Niemand beter geplaatst dan Grunberg dus om deze bloemlezing te overzien.

De getuigenissen doen verslag van de gruwel die Auschwitz was, geven een beklijvend beeld van de realiteit die het kamp werd nadat de slachtoffers in de treinen stapten die hen tot aan de ingang bracht waar het bekende adagio ‘Arbeit macht frei’ hen bovenmatig cynisch welkom heette. Ze geven ons een inkijk in de overlevingsstrategieën, de regels, de perfide logica die de Duitsers hanteerden. Ze vertellen ons ook over hoe verder te gaan na de kampen. Het gaat over blijdschap, hoop, vreugde na de bevrijding. Maar ook over hun verdriet, woede en schaamte (want waarom heb ik het wel overleefd en zij niet?). 

Een aanzienlijk deel van het boek gaat over het sonderkommando. Een bewuste keuze van Grunberg. Hij wilde zo dicht mogelijk blijven bij wat in de gaskamers is gebeurd. In datzelfde interview haalt hij ook aan waarom. Hij vertelt over Primo Levi, één van de bekendste schrijvers over Auschwitz, die ooit zei: "De echte getuigen zijn de mensen die daar zijn vergast en vermoord." Dat sonderkommando bestond uit mannen, veelal joden; die door de nazi’s werden aangeduid om het werk in de gaskamers en crematoria uit te voeren. Het commando was het culminatiepunt van de nazi-gruwel en -logica. Het werd actief ingezet om hun geestesgenoten de dood in te jagen. De mannen verzamelden de ampele bezittingen die de joden nog hadden, verwijderden de lijken uit de gaskamers, verwijderden de gouden tanden en brachten ze tenslotte naar de crematoria om ze daar te verbranden. Zo bleven de nazi’s gespaard van hun eigen onmetelijke gruwel en maakten ze de joden tot hun gedwongen bondgenoten. Het paste perfect in hun gedachtengang van de Jood die zo ontaard was dat hij zelfs zijn medejoden helpt ombrengen. In ruil daarvoor kregen de mannen betere maaltijden, kledij en bepaalde voorrechten. 

De waarheid was uiteraard helemaal anders dan hun logica. De leden van het commando hadden eenvoudigweg geen keuze. De SS koos hen persoonlijk uit. Weigeren leidde sowieso tot standrechtelijke executie. En uiteindelijk wachtte ook hen een zekere dood. Iedere paar maand onderging het sonderkommando hetzelfde lot als alle anderen. Ze werden op hun beurt ter dood gebracht en vervangen door een nieuwe eenheid. Het sonderkommando bleek een monsterlijke perpetuum mobile. Grunberg geeft, terecht, aan dat we “geen oordeel mogen en kunnen vellen over het Sonderkommando. Ons oordeel is niet alleen niet gevraagd, het is ook ongewenst.” Het commando bevond namelijk zich “diep in de grijze zone.” 

In het essay dat de bloemlezing vooraf gaat, gaat Grunberg ook dieper in over de rol die taal speelt in de herdenking. Hoe woorden worstelen met de realiteit. Hoe literatuur omgaat met de wereld en de nodige vragen stelt. Of zoals Grunberg het stelt: “Al deze vragen die elke roman zou kunnen en moeten oproepen worden in net geval van de kampliteratuur tot hun uiterste grens gedreven.”

In de media, of eerder in de publieke reacties op artikels die over de herdenking werden geschreven, werd regelmatig geopperd: “Het is al zolang geleden. Moeten we het hier echt nog altijd over hebben?” In een wereld waar populisten en propaganda het debat steeds vaker kapen is het antwoord duidelijker dan ooit: Jazeker. We moeten het hier echt nog altijd over hebben. Het spijt ons dat dit soort verhalen je secuur opgebouwde semi-perfecte wereld van de social media verstoren. Maar weet dat Auschwitz ooit gebeurde. Hier, in Vlaanderen, Nederland, West-Europa. En dat mogen we nooit vergeten. Zodat het zich nooit meer kan herhalen.

Bij ons In Auschwitz. Getuigenissen

Ingeleid en verzameld door Arnold Grunberg

Em. Querido Uitgeverij BV, Amsterdam - Antwerpen

2020

496 pagina’s.