V/C, ‘Chopin Evocations’

Kan een piano fluisteren?

Hebben we nog een opname nodig van Chopins twee pianoconcerto’s? Eigenlijk niet. En toch. Toch zijn er meerdere redenen om vrolijk te worden van de samenwerking tussen wonderkind Daniil Trifonov, meesterdirigent Mikhail Pletnev en het Mahler Chamber Orchestra. Ten eerste omdat de solist met brille en inzicht vertolkt: Trifonovs lijnenspel, Trifonovs rubato, Trifonovs weergaloze techniek en Trifonovs exquise pedaalgebruik zullen vroeg of laat begrippen worden in het klassieke landschap.

Daarnaast speelt het Mahler Chamber Orchestra de begeleidende partijen bij de Chopinconcerti met de nodige souplesse. De componist wordt wel eens verweten een gebrekkig orkestrator geweest te zijn, en dat is bezwaarlijk onjuist te noemen. Houtblazers worden in de originele partituur stiefmoederlijk behandeld en meer dan werkelijk dialogeren met de solerende stem, genereren kopers en strijkers vooral kleuren die het pianistieke genie accentueren.

In dat alles komt nu verandering dankzij Pletnevs nieuwe orkestraties. Is het heiligschennis om de originele partituren kritisch onder de loep te nemen en – weliswaar in de geest van de opusnummers – het maximum uit de aanwezige ideeën te halen? Eigenlijk niet. Het zijn vooral de houtblazers die de dirigent-arrangeur in zijn adaptaties voor kamerorkest een meer prominente plaats geeft, en de symfonisch beleving in zijn totaliteit vaart daar wel bij: de rijkdom van zowel het orkest zelf als van de verwevenheid tussen klavier en orkest laat zich meer dan voorheen savoureren.

Af en toe wringt het nochtans: Pletnevs signatuur wortelt eerder in een laat-romanticisme dan in dat van Chopins tijdsgewricht. Meer dan een toegenomen effect, heeft deze interpretatie echter als verdienste dat de intimiteit van de concerti maximaal onder de aandacht wordt gebracht. Pletnevs soms eerder stijve, formalistische directie werpt zeker in de langzame delen zijn vruchten af. Zijn baton laat immers alle ruimte vrij voor Trifonov, die vanuit een grote poëzie het klavier meermaals laat fluisteren.

Naast beide concerti bevat dit album nog een aantal toegiften, ten dele van andere componisten die zich door Chopin lieten inspireren. Het zijn niet de meest spraakmakende partituren uit Schumanns, Griegs of Tchaikovsky’s oeuvre, maar ze nodigen uit tot de vraag: wat maakt Chopin tot Chopin? Dat ook Barbers nocture in het recital werd opgenomen, betekent bovendien dat ook het harmonische spectrum wordt verbreed. En met de ‘Fantaisie-Impromptu’ als orgelpunt, is dit dubbelalbum er één om te koesteren.