Valery Gergiev & Wiener Philharmoniker - dag 3, Carnegie Hall

Oostenrijkers met een Russische ziel

Met Wagner en Moessorgski als constanten op het programma, had de Wiener Philharmoniker doorheen zijn residentie in Carnegie Hall anno 2016 op de slotdag nog niet kunnen uitpakken met haar handelsmerk: een goede, oude Austro-Germaanse symfonie. Ook het laatste luik van de triptiek werd het publiek daar niet op getrakteerd, hoewel Gergiev deze keer wel degelijk koos voor de grotere vorm. Tchaikovsky's ‘Manfredsymfonie’ mag dan eerder met beide benen in de Wolga dan in de Donau staan, het Oostenrijke orkest bewees met haar uitvoering dat het een kneedbaar organisme is. Precies zoals het hoort, ginder eenzaam aan de (wereld)top.

Terugblikkend op de driedaagse is het alleszins interessant te zien met welk repertoire Valery Gergiev naar de States kwam afgezakt. Met ruim de helft muziek van eigen bodem stak de dirigent ook hier niet weg wat zijn paradepaardjes zijn. En, eerlijk, waarom zou hij ook? Dat enkele betogers drie dagen lang hadden postgevat aan Carnegie Hall om het publiek bewust te maken van de verhouding die de dirigent heeft met het Kremlin, is onvermijdelijk. De vraag of kunst, regime en moraal los kunnen staan van elkaar, is er een die dag na dag opnieuw moet gesteld worden. Het weerhield Gergiev er evenwel niet van om drie keer een quasi volle zaal te trekken.

Met Wagners prelude tot en muziek voor Goede Vrijdag uit 'Parsifal' trok Gergiev de Wagneriaanse draad helemaal tot het einde door. Anders dan zijn opname met het Mariinsky van een paar jaar geleden, klonk zijn visie met de Wiener Philharmoniker wat cerebraal. De spirituele dimensie moet een doeltreffende regie van de muzikale parameters immers niet in de weg staan. Toch leek dat deze keer het geval te zijn. Desondanks voelt het orkest zich helemaal thuis in Wagners langgerekte, van extase zuchtende en krakende zinnen. Genereus koper, minzaam hout en een bad van warme strijkers: klinkt dat niet als een ideale omstandigheid tout court?

En toen was er Tchaikovsky. Diens ‘Manfredsymfonie’ werd niet alleen een schizoïde worsteling tussen zielscontent en doodongelukkig, het liet ook horen dat de Wiener Philharmoniker ook van De Russische markt helemaal thuis is. Want wie dacht de Mariinsky nodig te hebben om de authentieke volksgeest die door dit werk dwaalt te ervaren, had het bij het verkeerde eind. Gergievs fluittonen moeten op een manier ultrasonisch door de musici begrepen worden, want aan zijn getril, gebrom en gesis hadden ze genoeg om perfect te weten waar hun uitvoering heen moest. Een indrukwekkend staaltje interpretatiekunst, zoals deze driedaagse er nog geen had laten zien.

Nochtans vertoonde de geoliede machine enkele onregelmatigheden. Deze tandem is nog niet voor de volle honderd procent geroutineerd, maar net dat bleek in de ‘Manfredsymfonie’ een voordeel. De aandacht waarmee er gespeeld en ook geluisterd werd, had met name een bezwerend effect. De haast waanzinnige passies in het eerste deel, het Elyseese landschap in het tweede, de bron van melancholie in het derde en de ontketende fuga's in het vierde: dit was een uitvoering van afgrondelijke diepten. Het orkest alle hens aan dek, Gergiev koelbloediger dan ooit: ook het visuele plaatje klopte. En dan, als epiloog? Juist, het volslagen tegendeel. Weense walsen als relativerende voetnoot.

Dit concert kortom als Wiener Melange: smakelijk én bedwelmend, ongetwijfeld dankzij die scheut Rusland.